**1..** Indien een geraamde activiteit door onvoorziene omstandigheden niet of niet geheel in het begrotingsjaar kan worden uitgevoerd, kan het college de raad een voorstel tot budgetoverheveling naar een volgend begrotingsjaar doen. In voorkomende gevallen worden deze jaarlijks na afloop van het begrotingsjaar in de raad van januari voorgelegd. Per voorstel geeft het college antwoord op onderstaande vragen:
Is de onverbreekbare relatie tussen het budget en de output aantoonbaar en is de output nog noodzakelijk?
Wat zijn de effecten voor de begroting van het opvolgende jaar? Hier moet in de overweging meegenomen worden of de uitvoering deels of volledig mogelijk is naast de reeds voor dat jaar geplande activiteiten?
Is in de maraps (het tussenbericht) al melding gemaakt van de afwijking in output en budget? Zo niet, dan moet aantoonbaar gemaakt worden dat dit ten tijde van het opstellen van de marap niet te voorzien was?
Is het bedrag (dat in de begroting was geraamd) nog actueel?
Is er op het betreffende programma in het begrotingsjaar sprake van een onderschrijding van het in de begroting opgenomen beleid?
**2..** Wanneer bij de jaarrekening blijkt dat het resultaat van de budgetoverheveling afwijkt ten opzichte van het eerder door de raad genomen besluit, dan moet dit, voorzien van een toelichting, in de jaarstukken worden gemeld. Indien bij de jaarrekening – in uitzonderingssituaties – nog nagekomen (nieuwe) budgetoverhevelingen nodig zijn, kan het college deze, met onderbouwing volgens de eerder vermelde criteria, in het voorstel tot bestemming van het rekeningsresultaat opnemen.
**3..** Een budget kan maar éénmaal worden overgeheveld naar een volgend begrotingsjaar. Indien dit daarna nogmaals noodzakelijk mocht zijn, dan legt het college hiervoor een nieuw voorstel aan de raad voor.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1.2