** 1. .** Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
** 2. .** Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget.
** 3. .** Het college kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget beëindigen als het college vaststelt dat:
een cliënt die een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ontvangt, is overleden;
een cliënt die een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ontvangt niet langer tot de doelgroep van de wet behoort;
een cliënt die een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ontvangt, verhuist naar een andere gemeente;
een cliënt die een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ontvangt, een beroep kan doen op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling.
** 4. .** Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
een cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
een cliënt niet langer op een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is aangewezen;
een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;
een cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;
een cliënt een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
een cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
** 5. .** Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden;
** 6. .** Het college stelt nadere regels over de wijze waarop uit oogpunt van kwaliteit van de zorg controle op de besteding van de persoonsgebonden budgetten kan plaatsvinden.
Hoofdstuk 3:
Artikel 14.