Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.3

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2017 Gemeente Enkhuizen

Uitgangspunt van de nieuwe Wmo is dat de cliënt een maatwerkvoorziening “in natura” krijgt aangeboden, maar er tevens op moet worden gewezen dat dit desgewenst als persoonsgebonden budget (pgb) kan worden verstrekt. De wet verbindt daar echter wel voorwaarden aan: De aanvrager dient in staat te zijn om de aan het pgb verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit kan ook overgenomen worden door iemand uit het sociale netwerk, curator, mentor of gemachtigde; Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van goede kwaliteit zijn. Dit dient vooraf getoetst te worden door bijvoorbeeld een persoonlijk budgetplan, op welke wijze de ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid en hoe de kwaliteit is gewaarborgd; Een pgb mag de kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura niet overstijgen. Toch is dit geen grond om het pgb te weigeren als de cliënt de meerkosten voor eigen rekening neemt. Het college vindt het belangrijk dat cliënten zoveel mogelijk zelf de regie voeren over de ondersteuning die ze wordt geboden. Daarom is in de wet bepaald dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in de vorm van een pgb. Op basis van de verordening kan een pgb worden aangewend voor zowel gekwalificeerde als ongekwalificeerde ondersteuners, inclusief mensen uit het eigen sociale netwerk. Het college zal in haar onderzoek moeten beoordelen, aan de hand van bovengenoemde voorwaarden, of het verantwoord is om een pgb te verstrekken. De hoogte van het pgb hangt af van de redelijke kostprijs die mag worden betaald voor de desbetreffende ondersteuning. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de mate waarin de aanbieder in staat is deskundige ondersteuning aan te bieden en de kosten die daar tegenover staan. Dit is niet altijd makkelijk te beoordelen maar hangt grotendeels samen met: Aantoonbare deskundigheid die specifiek noodzakelijk is voor de in te zetten ondersteuning. Dit kan bijvoorbeeld worden beoordeeld door referenties en opleidingen. De mate waarin de aanbieder investeert in de beschikbaarheid en expertise van bekwame ondersteuners. Dit kan bijvoorbeeld worden beoordeeld aan de hand van een opleidingsplan, een beschrijving van de gehanteerde werkwijze, inzicht in de personeelsopbouw of de manier waarop de administratie is ingericht en de aansprakelijkheid is geregeld. Het college gaat er van uit dat instellingen en dergelijke (waaronder ook georganiseerde ZZP-netwerken) hiervoor meer kosten moeten maken dan een aanbieder die volledig zelfstandig werkt. Daarom wordt het pgb bij een volledig zelfstandig werkende zorgaanbieder lager vastgesteld dan het maximale tarief dat bij de aanbieders van zorg in natura wordt gehanteerd op grond van de aanbesteding. Een aanvrager kan een pgb ontvangen als de ondersteuning wordt geboden door een gekwalificeerde zorgaanbieder of als er niet-gebruikelijke zorg wordt verleend. Dit, wordt verderop in de beleidsregels nog gedefinieerd. Indien er sprake is van niet-professionele ondersteuning dan geldt het daarvoor geldende tarief in de Wlz als maximaal.

Rechtspraak bij dit artikel