Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 6

Ontheffing voor bewoner met motorvoertuig

Onderdeel van Beleidsregel verkeersontheffingen gemeente Utrecht

1. Een ontheffing voor het rijden met een motorvoertuig in een gesloten gebied of voetgangersgebied wordt verleend aan een persoon die: a. in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven op een woonadres in het gesloten gebied of voetgangersgebied of op een woonadres dat uitsluitend bereikbaar is via het gesloten gebied of voetgangersgebied; b. een eigen parkeervoorziening heeft, en c. houder van een motorvoertuig is als bedoeld in artikel 2. 2. Een ontheffing voor het rijden met een motorvoertuig in een gesloten gebied of voetgangersgebied voor het in- en uitstappen wordt verleend aan een persoon die: a. in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven op een woonadres in het gesloten gebied of voetgangersgebied of op een woonadres dat uitsluitend bereikbaar is via het gesloten gebied of voetgangersgebied, en b. een gehandicaptenparkeerkaart, type P-passagier, heeft op basis van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. 3. Een ontheffing voor het rijden met een motorvoertuig in het voetgangersgebied in de binnenstad tijdens de venstertijd ’s avonds wordt verleend aan een persoon die: a. in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven op een woonadres in het voetgangersgebied in de binnenstad of op een woonadres dat uitsluitend bereikbaar is via het voetgangersgebied in de binnenstad, en b. houder van een motorvoertuig is als bedoeld in artikel 2. 4. Aan de persoon die een ontheffing aanvraagt op basis van het eerste lid wordt ten hoogste 1 ontheffing verleend per eigen parkeervoorziening in combinatie met een motorvoertuig. 5. Aan de persoon die een ontheffing aanvraagt op basis van het tweede lid wordt ten hoogste 1 ontheffing verleend. 6. Aan de persoon die een ontheffing aanvraagt op basis van het derde lid wordt ten hoogste 1 ontheffing verleend. 7. Een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verleend voor onbepaalde tijd. 8. Een ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt verleend voor een periode van twee jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel