1. Een ontheffing voor het rijden met een voertuig in een gesloten gebied of voetgangersgebied, wordt verleend aan een standplaatshouder indien:
a. de standplaatshouder beschikt over een vergunning voor een vaste standplaats als bedoeld in artikel 5:13, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2010;
b. de standplaats is gelegen in een gesloten gebied of voetgangersgebied, en
c. in geval het een voetgangersgebied met venstertijden betreft, de onmogelijkheid om binnen de venstertijden het voertuig of de verkoopwagen te verwijderen van de standplaats.
2. Een ontheffing voor het parkeren in een gesloten gebied of voetgangersgebied kan worden verleend aan de standplaatshouder indien:
a. een ontheffing is verleend als bedoeld in het eerste lid, en
b. de nabijheid van het voertuig noodzakelijk is op de standplaats.
** 3. .** Indien aan de standplaatshouder een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, komt de standplaatshouder tevens in aanmerking voor een ontheffing van een toegestane maximum massa als bedoeld in artikel 17, eerste lid, indien de standplaatshouder zonder laatstgenoemde ontheffing de standplaats niet kan bereiken.
4. Een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verleend voor de duur van de vergunning voor een vaste standplaats als bedoeld in het eerste lid, onder a.
** 5. .** Een ontheffing als bedoeld in het vierde lid wordt, in afwijking van artikel 17, zevende lid, ook verleend voor de duur van de vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a.
Hoofdstuk 2
Artikel 12
Ontheffing voor standplaatshouder
Onderdeel van Beleidsregel verkeersontheffingen gemeente Utrecht