1. Het college regelt in de beleidsregels op welke wijze in samenspraak met de ondersteuningsvrager, eventueel na vragen van advies aan een door het college aangewezen adviesinstantie, wordt vastgesteld of deze voor een op het individu toegesneden voorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, of jeugdhulp in aanmerking komt.
2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
1.2.1 Toeleiding en toegang algemeen
In de procedure voor toegang en toeleiding zijn de uitgangspunten van het beleidsplan ‘Samen mee(r) doen, vanuit vijf transities naar één transformatie’ verwerkt. Zo is de procedure gericht op individuele maatwerkoplossingen bij ondersteuningsvragen. In de procedure worden ondersteuningsvragers zo veel mogelijk aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Alleen als dit noodzakelijk is, wordt ondersteuning via een op het individu toegesneden voorziening ingezet. De procedure van toegang en toeleiding kenmerkt zich door effectief samenwerken en resultaatgerichte oplossingen. Dat vertaalt zich naar ondersteuningsplannen die de oorzaak aanpakken, omdat er maatwerk en indien mogelijk en gewenst het ‘5x-zo’ principe (zo dichtbij, snel, kort, licht en zorgvuldig mogelijk) is toegepast.
De procedure voor toeleiding en toegang bestaat uit vier onderdelen, namelijk:
a. melding,
b. onderzoek,
c. aanvraag en
d. besluitvorming.
Termijnen
De termijn van melding tot en met het besluit op een aanvraag in de Wmo 2015 is in principe bepaald op maximaal 8 weken (namelijk 6 weken voor de onderzoeksfase gevolgd door 2 weken voor de beslissing op een aanvraag). Voor voorzieningen in het kader van de Jeugdwet zijn de termijnen niet gegeven in de wet zelf en geldt dus de redelijke termijn voor het beslissen op aanvragen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens constante jurisprudentie bedraagt deze termijn in het algemeen ook 8 weken. Voor de uniformiteit in de procedure voor toeleiding en toegang is voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet dezelfde benadering gekozen als de meer gedetailleerde regeling in de Wmo 2015.
In de Wmo 2015 is geregeld dat de onderzoeksfase (van melding tot afronding van het onderzoek) maximaal zes weken mag duren. Het onderzoek, bij voorkeur via een keukentafelgesprek, kan leiden tot het indien van een aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening. De aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond. Tussen het afronden van het onderzoek en het ontvangen van het aanvraagformulier (datum waarop formeel de aanvraag is ingediend) kan, bijvoorbeeld door het niet onmiddellijk verzenden van het aanvraagformulier door de ondersteuningsvrager, enige tijd zitten. Deze tijd wordt niet in mindering gebracht op de beslistermijn.
De besluitvormingsfase is alleen van toepassing als er een besluit moet komen op een aanvraag voor een op het individu toegesneden voorziening. De termijn tussen het indienen van de aanvraag (na ontvangst van het aanvraagformulier) en het besluit is maximaal twee weken.
In de praktijk kan tijdens het onderzoek blijken dat er meer tijd nodig is om tot een goede beoordeling van de situatie te komen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als moet worden gewacht op informatie van derden, en als, in het geval van een woningaanpassing, niet duidelijk is of de noodzakelijke vergunningen wel kunnen worden afgegeven. In overleg met de ondersteuningsvrager kan dan afgeweken worden van de onderzoekstermijn van maximaal zes weken. Dit dient wel schriftelijk te worden vastgelegd.
Ook kan de beslistermijn, bij wijze van uitzondering op grond van artikel 4:14 Awb, één keer met een redelijke termijn worden verlengd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de gegevens op het aanvraagformulier afwijken van de informatie die is gegeven tijdens het (keukentafel)gesprek.
Indien van de standaardtermijnen wordt afgeweken, moet de ondersteuningsvrager worden geïnformeerd.
Hieronder worden de onderdelen nader toegelicht.
a. Melding
Een melding begint met een eerste contact. Bij dit contact met het Klant Contact Centrum (KCC) of de Centrale intake maatschappelijke ondersteuning en beschermd wonen Twente (Cimot) moet worden beoordeel of er mogelijk sprake is van een melding of dat er sprake is van een vraag om advies of informatie
Het KCC is het centrale meldpunt voor ondersteuningsvragers, het sociale netwerk of dienst- en hulpverleners voor vragen op het gebied van welzijn, zorg, inkomensondersteuning, wonen en jeugdhulp. Daarnaast kan door professionals (onder andere huisartsen, kinderartsen, wijkverpleegkundigen) direct contact worden opgenomen met deskundige medewerkers over de verschillende ondersteuningsvormen en voorzieningen in het sociale domein.
Het Cimot is het meldpunt voor ondersteuningsvragen op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang (de zogenaamde centrumgemeentetaken) en tijdelijk beschermend wonen lvb. Voor ondersteuningsvragers die in mogelijk in aanmerking komen voor de voorziening beschermd wonen geldt dat aanbieders die de ondersteuning verlenen rechtstreeks een melding kunnen doen via een digitaal meldingsformulier.
Tijdens het contact wordt beoordeeld of de vraag om informatie of advies direct afdoende en naar tevredenheid kan worden beantwoord. Bij twijfel of als uit het contact blijkt dat er een onderzoek moet plaatsvinden, wordt de melding geregistreerd. Het onderzoek kan bestaan uit:
1 een telefonisch onderzoek tijdens het (eerste) contact waarna een verwijzing volgt naar bijvoorbeeld een andere voorziening (bijvoorbeeld een algemene voorziening);
2 een uitgebreid onderzoek waarin beoordeeld wordt welke voorziening toereikend en passend is, het zogenaamde (keukentafel)gesprek.
In het eerste geval (telefonisch onderzoek) wordt de melding wel geregistreerd maar wordt geen ondersteuningsplan geschreven. In het tweede geval krijgt de ondersteuningsvrager (als deze zelf het contact heeft gezocht) of degene voor wie ondersteuning wordt gevraagd een regisseur toegewezen. Als regisseur kunnen optreden een wijkcoach, een consulent zorg of een medewerker Wmo. Dit onderzoek mondt uit in een ondersteuningsplan.
Onafhankelijke cliëntondersteuning
Bij de registratie van de melding wordt de ondersteuningsvrager gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De onafhankelijke cliëntondersteuner staat de ondersteuningsvrager met raad en daad bij en helpt mee de vraag te verduidelijken. De cliëntondersteuner maakt geen deel uit van het proces van toeleiding en toegang en heeft geen rol in de besluitvorming. De onafhankelijke cliëntondersteuner is een goed opgeleide vrijwilliger die ervaring heeft met belangenbehartiging en een goede kennis heeft van de verschillende voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden binnen het sociale domein.
Mantelzorgers en ouders/verzorgers van jeugdigen
Als er sprake is van een mantelzorgsituatie, dan wordt deze mantelzorger nadrukkelijk betrokken bij het proces van toegang en toeleiding. Tijdens de melding zal dan ook beoordeeld moeten worden of er sprake is van een vorm van mantelzorg. Indien dat het geval is, zal de ondersteuningsvrager gevraagd worden of de mantelzorger ook bij het gesprek aanwezig kan zijn. Overigens geldt hetzelfde voor een jeugdige die zich meldt met een ondersteuningsvraag: in dat geval zal doorgaans ook gevraagd worden of de ouders of verzorgers bij het gesprek aanwezig kunnen zijn.
b. Onderzoek
Het onderzoek heeft als doel de ondersteuningsvraag te verhelderen, maar meer nog het samen met de ondersteuningsvrager verkennen van de mogelijkheden, kansen en wensen waardoor de zelfredzaamheid en het kunnen deelnemen aan de maatschappij kunnen worden vergroot. Voor het verhelderen van de vraag en het zoeken naar een adequate oplossing kan het nodig zijn een (medisch) advies in te winnen bij een externe adviesinstantie of adviseur. In het proces wordt tevens gekeken naar mogelijkheden waarmee de mantelzorger(s) of de ouder(s) of verzorger(s) langer of beter in staat zijn (mantel)zorg te verlenen.
(Keukentafel)gesprek
De regisseur voert één of meerdere (keukentafel)gesprekken met de ondersteuningsvrager (die daarbij kan worden ondersteund door de onafhankelijke cliëntondersteuner, mantelzorger, ouder of andere belangenbehartiger) en stelt op basis daarvan een ondersteuningsplan op. Het ondersteuningsplan is tevens een schriftelijke weergave van het (keukentafel)gesprek. Tijdens het gesprek wordt uitgebreid gekeken naar het functioneren van de ondersteuningsvrager op de verschillende leefgebieden. Uitgangspunt is immers integrale dienstverlening. Steeds wordt beoordeeld of de ondersteuningsvrager zelf (eigen kracht) in staat is de ondersteuning te organiseren of met de hulp van het sociale netwerk. Indien dat niet het geval is, wordt gekeken naar de verschillende voorzieningen, waarbij de op het individu toegesneden voorziening als vangnet dient. Dat wil zeggen dat deze voorziening alleen wordt verstrekt als andere voorzieningen niet toereikend zijn om in de noodzakelijke ondersteuning te voorzien. Bij andere voorzieningen moet worden gedacht aan een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening of een voorziening op grond van een andere wet.
(Medisch) advies
Om de ondersteuningsbehoefte helder te krijgen is het soms nodig advies in te winnen bij een onafhankelijk deskundige. Eén van de deskundigen die kan worden ingeschakeld is een medisch adviseur (keuringsarts).
Bij twijfel over de (mate van) beperkingen of als een voorziening mogelijk invaliderend kan werken, zal een medisch adviseur (keuringsarts) moeten worden ingeschakeld. Dit is ook het geval als niet duidelijk is of het inzetten van een op het individu toegesneden voorziening medisch noodzakelijk is vanwege de ondervonden beperkingen. Een onafhankelijk oordeel van de medisch adviseur is noodzakelijk als een aanvraag om medische redenen waarschijnlijk moet worden afgewezen.
Ondersteuningsplan
De regisseur en de ondersteuningsvrager formuleren na het verhelderen van de vraag en de mogelijkheden, kansen en wensen, de resultaten die bereikt zouden moeten worden met de ondersteuning. De ondersteuning(svormen) en het beoogde resultaat worden vastgelegd in het ondersteuningsplan. De ondersteuning(svormen) kunnen bestaan uit ondersteuning die op eigen kracht kan worden gerealiseerd of met behulp van het sociale netwerk, andere voorzieningen of op het individu toegesneden voorzieningen of een combinatie van deze. Als er sprake is van een op het individu toegesneden voorziening (behalve een toekenning in het kader van de Jeugdwet, zie hiervoor hoofdstuk 5) zal er door of namens het college een besluit moeten worden genomen nadat de ondersteuningsvrager hiervoor een aanvraag heeft ingediend. Indien het resultaat alleen kan worden bereikt met een op het individu toegesneden voorziening, zal ook aan de orde moeten komen in welke vorm, in natura of een persoonsgebonden budget, deze verstrekt kan worden (zie hiervoor hoofdstuk 3). Ook zal, als hiervan sprake is, moeten worden gemeld dat er een inkomensafhankelijke eigen bijdrage wordt opgelegd.
Uitvoering ondersteuningsplan
Tijdens het (keukentafel)gesprek wordt, indien de ondersteuning bestaat uit een op het individu toegesneden voorziening, beoordeeld bij welke (zorg)aanbieder het beoogde resultaat het best kan worden bereikt. De ondersteuningsvrager wordt actief begeleid naar deze (zorg)aanbieder; er is dus sprake van een warme overdracht, waarbij het ondersteuningsplan gedeeld kan worden met de (zorg)aanbieder.
Het zorgplan (trajectplan, hulpverleningsplan of iets dergelijks) van de aanbieder zal moeten aansluiten bij de resultaten die geformuleerd zijn in het ondersteuningsplan. In het plan van de aanbieder zullen de resultaten verder worden uitgewerkt. Indien de voorkeur uit gaat naar ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget moet het zorgplan voordat het besluit wordt genomen, worden overgelegd. Het zorgplan wordt in het kader van het waarborgen van de kwaliteit van de geboden ondersteuning betrokken bij de besluitvorming. Gecontracteerde aanbieders die zorg in natura mogen leveren, zijn op grond van het contract gebonden aan het leveren van kwalitatief goede ondersteuning en het opstellen van een zorgplan. Een toets vooraf is bij ondersteuning in natura dan ook niet nodig.
Evaluatie
De beoogde resultaten die in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd, worden periodiek door de regisseur in samenspraak met de ondersteuningsvrager geëvalueerd. Een evaluatie vindt sowieso plaats als de ondersteuning eindigt en de ondersteuningsvrager te kennen heeft gegeven nog ondersteuning nodig te hebben. De evaluatie kan leiden tot bijstelling van het ondersteuningsplan, maar ook als de afgesproken en vastgelegde resultaten door de aanbieder niet worden bereikt tot een wisseling van aanbieder. Het evaluatieplan maakt onderdeel uit van het ondersteuningsplan.
c. Aanvraag
Tijdens de onderzoeksfase (zie hiervoor onder b.) wordt beoordeeld of de ondersteuning moet bestaan uit een op het individu toegesneden voorziening. Als dat het geval is, zal, voordat een besluit kan worden genomen, er een aanvraag moeten worden ingediend door de ondersteuningsvrager. Dit kan pas nadat het onderzoek is afgerond en de ondersteuningsvrager gewezen is op de voorwaarden die samenhangen met het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening. Tussen het afronden van het onderzoek en het daadwerkelijk aanvragen van de op het individu toegesneden voorziening(en) kan enige tijd zitten. Als aanvraagdatum wordt aangemerkt de datum waarop het aanvraagformulier is ontvangen. Vanaf de datum van ontvangst van het aanvraagformulier gaat de termijn van twee weken om een besluit te nemen lopen.
d. Besluitvorming
Indien uit het ondersteuningsplan blijkt dat het beoogde resultaat zou moeten worden bereikt met een op het individu toegesneden voorziening, moet de oplossing getoetst worden aan de Wmo 2015 of de Jeugdwet (waaronder de verordening en de beleidsregels). Na toetsing geeft het college, indien nodig, een beschikking af ten aanzien van de op het individu toegesneden voorziening(en). Voor de inhoud van de beschikking wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven aan welke eisen een beschikking moet voldoen en welke inhoudelijke elementen deze bevat.
Spoed en crisis
Onvermijdelijk zullen er zich situaties voordoen waarbij direct handelen is vereist: bijvoorbeeld in die gevallen waarin de veiligheid van een ingezetene in het geding is. De gangbare, hiervoor beschreven, procedure zal dan opzij moeten worden geschoven. Door de betrokken organisaties is bij de toeleiding en toegang een spoedprocedure in het leven geroepen. Bij gebruik van de spoedprocedure kunnen direct, zonder een uitgebreide onderzoek, de noodzakelijke acties worden ondernomen.
In situaties waarin sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling of huiselijk geweld, kan 24 uur per dag gedurende 7 dagen in de week een beroep worden gedaan op Veilig Thuis Twente (voorheen Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en Steunpunt Huiselijk Geweld). Veilig Thuis Twente kan adviseren bij vermoedens van mishandeling en huiselijk geweld en registreert de meldingen.
Naast de hiervoor genoemde mogelijkheid om Veilig Thuis Twente in te schakelen, zijn met betrekking tot de zorgstructuur samenwerkingsafspraken gemaakt over escalatie. In deze samenwerkingsafspraken is de doorzettingsmacht van de gemeente geregeld als een situatie ontspoort of dreigt te ontsporen. Daarnaast worden in het calamiteitenprotocol werkafspraken gemaakt over het omgaan met calamiteiten.
1.2.2 Toegang via huisartsen en kinderartsen
Met huisartsen en kinderartsen zijn afspraken gemaakt over de toeleiding en toegang tot voorzieningen in het kader van de Jeugdwet. Daar waar geen of niet in overwegende mate sprake is van onderliggende medische problematiek, worden jeugdigen (en ouders) verwezen naar het centrale meldpunt of meldt de huis- of kinderarts de jeugdige bij het centrale meldpunt. Vervolgens wordt het proces doorlopen zoals hiervoor beschreven. Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden, worden de bevindingen (en eventueel geboden ondersteuning) gemeld bij de huis- of kinderarts.
Hoofdstuk 1:
Artikel 1.2
Toegang voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo