Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 4.1

Bijdrage in de kosten

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Almelo

1. Voor een op het individu toegesneden voorziening is de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning, verschuldigd. 2. De bijdrage in de kosten is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de ondersteuningsvrager en zijn partner of echtgenoot. 3. De bijdrage in de kosten bedraagt maximaal de kostprijs van de voorziening per periode van 4 weken, waarbij: a. de kostprijs van een eenmalige persoonsgebonden budget per periode gelijk is aan de hoogte van het toegekende persoonsgebonden budget gedeeld door de afschrijvingstermijn; b. de kostprijs van een periodiek verstrekte persoonsgebonden budget gelijk is aan de hoogte van het persoonsgebonden budget dat per periode is toegekend; c. de kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening per periode gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is gedeeld door de afschrijvingstermijn; d. de kostprijs van een periodiek verstrekte maatwerkvoorziening gelijk is aan de vergoeding die de gemeente hiervoor per periode verschuldigd is. 4. Een bijdrage in de kosten van een op het individu toegesneden voorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige persoonsgebonden budget of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt. 5. Als de bijdrage ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. 6. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen, het collectief vervoer, een doventolk en het doven maatschappelijk werk. 7. De bijdragen voor opvang worden vastgesteld en geïnd door de instelling waar de ondersteuningsvrager verblijft, voor zo ver het college deze niet zelf vaststelt en int. 8. De in lid 5 sub a. en c. vermelde afschrijvingstermijnen zijn bepaald op 130 perioden van 4 weken voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw, keuken of badkamer en 91 perioden van 4 weken voor overige voorzieningen in het kader van Ondersteuning zelfstandig wonen en Ondersteuning mobiliteit. Uitgangspunt voor het opleggen van een eigen bijdrage is de maximale bijdrage zoals bepaald in het door het rijk vastgestelde Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning. Daarin is bepaald dat de eigen bijdrage gebaseerd is op het inkomen en vermogen van de ondersteuningsvrager en zijn partner of echtgenoot. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van een voorziening gebruik wordt gemaakt, maar deze mag niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening (zie volgende paragraaf). Ook als een woningaanpassing wordt gerealiseerd voor een minderjarige is een eigen bijdrage verschuldigd. In dat geval wordt gekeken naar het inkomen en vermogen van de ouders of degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. 4.1.1 Kostprijs voorziening Bepalen van de kostprijs De kostprijs van een op het individu toegesneden voorziening die in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget. De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is. Voor hulpmiddelen (ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier. De kostprijs zal vervolgens moeten worden berekend naar een periode van vier weken (in aansluiting op de eigen bijdrage periode die door het CAK wordt gehanteerd). De wijze waarop de toerekening naar een periode van vier weken plaatsvindt, is afhankelijk van de verstrekte voorziening. Er zijn vier situaties mogelijk: • voor de voorziening is een uur- of dagdeeltarief van toepassing; • de voorziening wordt ineens betaald (ondersteuning mobiliteit of ondersteuning zelfstandig wonen); • er is sprake van resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning); • werkelijke kosten van de voorziening. Uur- en dagdeeltarief Indien een voorziening wordt toegekend in uren of dagdelen per week wordt de kostprijs als volgt berekend: uurtarief (of dagdeeltarief) x aantal uren (dagdelen) per week ondersteuning x 4 Voor de van toepassing zijnde uurtarieven voor de verschillende voorzieningen wordt verwezen naar de bijlage. Hulpmiddelen ( ondersteuning zelfstandig leven en ondersteuning mobiliteit) Indien een hulpmiddel wordt toegekend waarvoor een bedrag ineens moet worden betaald (hetzij door de gemeente als de voorziening in natura wordt verstrekt hetzij door de ondersteuningsvrager als de voorziening wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt de kostprijs als volgt berekend: aankoopbedrag voorziening / afschrijvingstermijn De afschrijvingstermijn in jaren is geregeld in beleidsregel 2.2-5. De afschrijvingstermijn in jaren wordt vermenigvuldigd met dertien (per jaar zijn er namelijk dertien perioden van vier weken): dit is het aantal perioden waarover het aankoopbedrag wordt afgeschreven (dit is economische levensduur). Het berekende bedrag is het maximale bedrag van de eigen bijdrage per periode. Indien op basis van het inkomen en vermogen een lagere eigen bijdrage wordt vastgesteld dan het berekende maximale bedrag per periode van vier weken, wordt de eigen bijdrage voortgezet totdat het aankoopbedrag is bereikt. De eigen bijdrage wordt beëindigd als geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. Resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning) De kostprijs is gelijk aan het bedrag dat de aanbieder per periode van vier weken voor een ondersteuningsvrager ontvangt voor het leveren van de voorziening. Voor financiële tegemoetkomingen geldt dezelfde berekeningsmethode voor het bepalen van de kostprijs. Werkelijke kosten Indien de werkelijke kosten van een voorziening bekend zijn en de kosten niet goed toegedeeld kunnen worden naar een uur- of dagdeeltarief, wordt uitgegaan van de werkelijke kosten per periode van 4 weken om te bepalen hoe hoog de eigen bijdrage maximaal mag zijn. 4.1.2 Geen eigen bijdrage Het uitgangspunt is dat voor alle op het individu gerichte voorzieningen een eigen bijdrage wordt geheven. Een uitzondering hierop is het verstrekken van rolstoelen. Het heffen van een eigen bijdrage is op grond van het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning niet toegestaan. Ook wordt geen eigen bijdrage geheven als door de ondersteuningsvrager gebruik moet worden gemaakt van een doventolk of als gebruik wordt gemaakt van het doven maatschappelijk werk. Voor inwoners die niet auditief beperkt zijn, wordt het maatschappelijk werk aangemerkt als een algemene voorziening waarvoor geen eigen bijdrage verschuldigd is. Het specifiek op doven en slechthorenden gerichte maatschappelijk werk en de inzet van een doventolk om bijvoorbeeld de ondersteuningsbehoefte duidelijk te kunnen maken, worden hiermee gelijkgesteld. Een andere uitzondering betreft de verstrekking van een vervoerspas (een individuele vervoersvoorziening). Met een vervoerspas kunnen cliënten tegen een gereduceerd tarief gebruik maken van de regiotaxi (collectief vervoer). Cliënten betalen al voor deze voorziening door middel van het gereduceerde tarief. 4.1.3 Eigen bijdrage opvang Ten aanzien van de voorziening opvang is gekozen voor voortzetting van de werkwijze waarbij de eigen bijdrage door de instelling zelf wordt vastgesteld en geïnd, voor zo ver het college niet zelf de bijdrage vaststelt en int (bij ondersteuningsvragers met een uitkering op grond van de Participatiewet). Overigens moet door de gemeente aan het CAK wel worden medegedeeld dat er een eigen bijdrage is opgelegd. Zo kan het CAK er voor zorgen dat er geen cumulatie optreedt van bijdragen die in het kader van de Wmo 2015 en Wet langdurige zorg (Wlz) kunnen worden opgelegd. Hoogte eigen bijdrage opvang De hoogte van de eigen bijdrage is zodanig dat de ondersteuningsvrager na afdracht van de bijdrage, van zijn bijdrageplichtig inkomen omgerekend een bedrag overhoudt dat overeenkomt met de zak- en kleedgeldnorm (zoals omschreven in artikel 23 lid 1 Participatiewet) vermeerderd met de standaardpremie voor zorg (artikel 1 lid 1 sub g Wet op de zorgtoeslag) gecorrigeerd met de zorgtoeslag (de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1 Wet op de zorgtoeslag). 4.2 Bijdrage kosten algemene voorzieningen

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel