Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:
a. belanghebbende niet langer voldoet aan het bepaalde onder artikel 2, dan wel één van de factoren genoemd in artikel 3 lid 2 onder a tot en met f een rol spelen;
b. het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;
c. belanghebbende zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van zijn schulden;
d. op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan belanghebbende is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
e. belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;
f. belanghebbende in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;
g. de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende, niet (langer) passend is;
h. schuldeiser(s) hun medewerking weigeren aan een minnelijke schuldregeling;
i. faillissement van belanghebbende;
j. de voorwaarden uit de schuldregelingsovereenkomst niet zijn nagekomen;
k. belanghebbende nieuwe schulden is aangegaan;
l. belanghebbende is komen te overlijden;
m. er een WSNP-verklaring is afgegeven;
n. belanghebbende zich niet naar vermogen inspant en zich niet aan de gemaakte afspraken houdt om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen.