Indien uit de financiële verantwoording blijkt dat een subsidieontvanger, na de periode waarvoor subsidie is verleend, naar het oordeel van het college een te hoge egalisatiereserve heeft in relatie tot het gestelde in lid 1 van artikel 22 of voorzieningen heeft opgebouwd, anders dan de door het college vooraf goedgekeurde of verplicht gestelde voorzieningen, dan wordt de subsidie bij de vaststelling verlaagd. Bij een te lage stand van de egalisatiereserve of voorzieningen, bepaalt het college hoe de subsidieontvanger de te lage stand moet oplossen.
Hoofdstuk 8
Artikel 23