Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.4

Het recht op een vervoersvoorziening

Onderdeel van VERORDENING voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Lelystad

1.. De voorziening in de vorm van een vervoerspas zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, kan worden verleend wanneer de aanvrager door aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken. 2.. De voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor sociaal vervoer zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, kan worden verleend indien de aanvrager door aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek voor het lokaal sociaal vervoer geen gebruik kan maken van het collectief systeem van aanvullend vervoer (Regiotaxi Flevoland). 3.. De in het vorige lid bedoelde voorziening kan, in afwijking van artikel 1.2, lid 3, onderdeel c, ook worden verleend voor het buitenregionaal vervoer indien voor dat buitenregionaal vervoer geen gebruik kan worden gemaakt van vervoer per Valys en indien dat vervoer noodzakelijk is voor het onderhouden van wezenlijke contacten die uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden zijn en die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de aanvrager in een sociaal isolement geraakt. 4.. De in de vorige twee leden bedoelde voorzieningen kunnen worden verstrekt indien aantoonbaar sprake is van kosten voor bijzonder ander vervoer. 5.. De voorziening voor de aanpassing van een auto zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel c, kan worden verleend indien de aanvrager door aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek voor het sociaal vervoer geen gebruik kan maken van het collectief systeem van aanvullend vervoer (Regiotaxi Flevoland) 6.. De voorziening in de vorm van een open buitenwagen (scootermobiel) zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel d, kan worden verleend indien de aanvrager niet in staat is zich geheel zelfstandig en in eigen tempo over een afstand van ca. 300 meter te verplaatsen. 7.. De voorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel e, kan worden verleend indien de aanvrager door aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek niet in staat is zich geheel zelfstandig en in eigen tempo over een afstand van ca. 300 meter te verplaatsen en een scootermobiel door aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek niet als adequate voorziening kan worden aangemerkt. 8.. De voorziening in de vorm van een andere vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdeel f, kan worden verleend indien de aanvrager niet in staat is zich geheel zelfstandig en in eigen tempo over een afstand van ca. 300 meter te verplaatsen. 9.. Naast de in artikel 5.1, onderdelen a of b, genoemde voorziening kan maximaal één andere vervoersvoorziening, zoals bedoeld in artikel 5.1, onderdelen c, d, e en f, worden verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel