Op grond van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Onder standplaats wordt verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Een vaste plaats op een (jaar)markt, tijdens een snuffelmarkt of tijdens een evenement valt hier niet onder.
Ook als men op particuliere grond een standplaats wil innemen dan heeft men een vergunning van het college nodig.
Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Daarnaast kan de vergunning worden geweigerd indien de standplaats, hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan eisen van redelijke welstand of in strijd is met het bestemmingsplan.
Indien de locatie, het soort goederen of diensten of de wijze waarop deze worden aangeboden ertoe kan leiden dat de openbare orde wordt verstoord kan de vergunning worden geweigerd. Openbare orde is een aanduiding voor de normale gang van zaken van het maatschappelijk leven op een bepaalde plaats en onder gegeven omstandigheden. Het criterium openbare orde wordt vaak gehanteerd in combinatie met het beperken of voorkomen van overlast en de verkeersveiligheid. Per aanvraag zal moeten worden bekeken of het belang van de openbare orde dusdanig groot is dat een vergunning moet worden geweigerd of dat vergunningverlening kan plaatsvinden onder het stellen van voorwaarden in het belang van de openbare orde.
Bij het innemen van een standplaats mag de verkeersveiligheid niet in het geding komen. Als door de standplaats het verkeer wordt geblokkeerd of verkeerstekens niet meer zichtbaar zijn dan kan de vergunning worden geweigerd. Dat geldt ook als men een standplaats op een onoverzichtelijk locatie wil innemen, zoals bijvoorbeeld op de hoek van een straat of bij een kruispunt.
Een standplaats heeft een verkeer aantrekkende werking. Er dient derhalve voldoende parkeermogelijkheid ter plaatse te zijn. Er zal worden getoetst of de aangevraagde locatie voor een standplaats de openbare veiligheid niet in gevaar brengt.
In het kader van de Wet milieubeheer kunnen ook aan standplaatsen milieueisen worden gesteld. Deze eisen betreffen met name de gevolgen van het bakken. Vanuit de Wet milieubeheer worden er eisen gesteld aan de uitoefening van deze activiteiten, zoals de afstand tot de bebouwing, het treffen van voorzieningen voor de vetafscheiding van het afvalwater en voor het voorkomen van stankoverlast. Ter voorkoming van geuroverlast kan bij de locatie van de verkoopwagen rekening gehouden worden met onder andere de meest voorkomende windrichting en afstand tot (woon)gebouwen. Daarnaast worden er in de standplaatsvergunning voorschriften opgenomen omtrent het schoonhouden van de standplaats, het plaatsen van afvalbakken en het opruimen van afval in de omgeving afkomstig vanuit de standplaats verkochte producten.
Hier is sprake van indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Hiermee kan het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd worden. In een dergelijk geval kan de stadsbouwmeester om advies gevraagd worden.
De Europese Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.
Voor wat betreft de verkoop van goederen blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Als het college een vergunning op basis hiervan wil weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voorbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.