1. Aan het begin van elk kalenderjaar benoemt het Algemeen bestuur uit zijn midden een voorzitter.
2. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door een door het Dagelijks bestuur uit zijn midden aangewezen vicevoorzitter.
3. Het Algemeen bestuur beslist omtrent ontslag van de voorzitter, hierbij zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.