Naar hoofdinhoud
Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als hiervoor een wettelijke grondslag is. In de Wet BRP is de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen opgenomen in artikel 4:17. Een bestuurlijke boete is één van de sanctiemogelijkheden die in het bestuursrecht is vastgelegd en opgelegd kan worden als een wettelijke regel wordt overtreden. De bestuurlijke boete is een sanctie die wordt opgelegd met het doel te bestraffen. Het is ook een onvoorwaardelijke sanctie, wat betekent dat de boete niet kan worden ingetrokken of gewijzigd als iemand alsnog aan zijn verplichting uit de Wet BRP voldoet. De formele regels van de bestuurlijke boete zijn vastgelegd in titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De maximale bestuurlijke boete is in de Wet BRP gesteld op € 325,-. Met dit maximumbedrag blijft de bestuurlijke boete onder de grens van de hoge bestuurlijke boete, waardoor minder voorschriften gelden waaraan het college moet voldoen. Omdat de wet alleen het maximale boetebedrag noemt, zal het college in iedere situatie opnieuw moeten vaststellen of dat maximum wordt opgelegd of dat een ander bedrag passender is. De Awb bepaalt dat het boetebedrag altijd moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin zij aan de overtreder kan worden verweten. Hoewel deze concrete afstemming over de hoogte van het boetebedrag op de overtreding dus steeds opnieuw zal moeten worden verricht, is het toch wenselijk om uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid beleidsregels vast te stellen over de hoogte van de op te leggen boeten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel