Naar hoofdinhoud
6.1. Een opdracht voor de levering van een product en/of dienst wordt eerst geplaatst nadat is komen vast te staan dat het krediet ten laste waarvan de factuur moet worden gebracht voldoende dekking biedt. 6.2. In die gevallen waarin onzekerheid bestaat over de noodzaak of haalbaarheid van een kapitaaluitgaaf, dan wel dat de hoogte van de kapitaaluitgaaf niet op voorhand duidelijk is, kan aan het Bestuur geen krediet worden gevraagd. 6.3. De kosten die worden gemaakt om de noodzaak of haalbaarheid van een kapitaaluitgaaf te onderzoeken komen te allen tijde ten laste van de exploitatiebegroting. 6.4. Indien geen toereikend krediet aanwezig is kan, op advies van de budgetverantwoordelijke, een aanvullend krediet worden gevraagd, binnen de ter beschikking gestelde middelen. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de met deze aanvraag samenhangende extra kapitaallasten zullen worden gedekt. 6.5. Wanneer na aanbesteding blijkt dat het toegekende krediet te hoog is wordt dit neerwaarts bijgesteld. Wanneer blijkt dat het toegekende krediet niet voldoende is volgt de budgetverantwoordelijke de gebruikelijke procedure om verhoging van het budget te vragen (zie artikel 2.10). 6.6. Kredieten die ouder zijn dan twee jaar worden bij de jaarrekening afgesloten, tenzij het Bestuur voor afloop van het boekjaar besloten heeft deze door te schuiven naar een later jaar. 6.7. Restant kredieten lopen naar een volgend boekjaar over nadat de betreffende budget- verantwoordelijke hiertoe heeft verzocht. Restant kredieten waarop tijdens het boekjaar geen uitgaven zijn verantwoord kunnen slechts opnieuw naar het volgend boekjaar overlopen indien in het verzoek wordt aangetoond dat op de restant kredieten in het volgend boekjaar daadwerkelijk uitgaven zullen worden gedaan. 6.8. Na realisatie van het kapitaalgoed wordt het betreffende krediet ultimo boekjaar afgesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel