Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.1

Landelijke ontwikkelingen

Onderdeel van Handhavingsbeleid Kinderopvang en Peuterspeelzaalwerk

Kinderopvang staat continue in de schijnwerpers. Houders zijn primair verantwoordelijk voor goede kwaliteit van de kinderopvang. De manier waarop deze goede kwaliteit binnen de kinderopvang wordt vormgegeven, is nog altijd in ontwikkeling. Dit heeft ook in 2012 weer geresulteerd in gewijzigde landelijke regelgeving. Daarnaast zijn er verschillende andere ontwikkelingen die een relatie hebben met de kinderopvang. Het zijn zware tijden voor de kinderopvang. Landelijke bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag en stijgende kosten van de kinderopvang zelf, evenals het feit dat de werkeloosheid in Nederland historisch hoog is, zorgen ervoor dat veel ouders hun kinderen niet naar de kinderopvang brengen. Dit levert een zorg op met betrekking tot de kwaliteit. Houders hebben meer moeite om hun voorzieningen rendabel te exploiteren. Een mogelijk risico is dat er bezuinigd wordt op de kwaliteit. De toezichthouder zal hierop extra alert moeten zijn. Daarnaast heeft op 21 december 2011 de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State in een uitspraak over een geschil tussen gemeente en kindercentrum gesteld, dat er geen gemeentelijke handhaving plaats kan vinden op ministeriële beleidsregels (LJN-nummer BU 8881). Beleidsregels zijn immers geen wettelijk voorschrift. Medio 2012 heeft het Rijk naar aanleiding hiervan de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang verder uitgewerkt in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), te weten het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen en een bijbehorende ministeriële regeling. Deze zijn in plaats gekomen van de beleidsregels. Deze ontwikkelingen vragen om een bijstelling van het lokale handhavingsbeleid. Ook de manier waarop het toezicht uitgevoerd wordt, is volop in ontwikkeling. Er worden grote verschillen geconstateerd in kwaliteit tussen verschillende voorzieningen. Landelijk is er de wens om minder tijd te besteden aan houders die aantoonbaar een goede kwaliteit bieden en te investeren in houders die behoefte hebben aan bijsturing. In 2012 is naar aanleiding hiervan een nieuwe manier van toezicht houden ingevoerd, het “risico-gestuurd toezicht”. Op 1 augustus 2010 zijn de kwaliteitseisen voor het peuterspeelzaalwerk wettelijk vastgelegd. Op 1 januari 2012 zijn ook de wetsartikelen in werking getreden die de registratiebepalingen voor het peuterspeelzaalwerk regelen. Vanaf 2011 is landelijk de Gemeenschappelijke Inspectieruimte Kinderopvang (GIR) uitgerold. Bijna alle gemeenten in Nederland zijn hierop aangesloten. Deze GIR wordt zowel door GGD-en als door gemeenten gebruikt. Voordelen zijn dat: de afstemming tussen GGD en gemeente beter wordt vanwege de koppelingen die in het systeem gerealiseerd zijn; het systeem adviseert in de te nemen stappen in een handhavingproces; het systeem de genomen stappen vastlegt, waardoor continuïteit binnen de ambtelijke organisatie gewaarborgd is; het systeem desgewenst managementinformatie kan aanleveren (via de Dienst Uitvoering Onderwijs), waarmee in principe voorzien kan worden in de jaarlijkse uitvraag van de Inspectie van het Onderwijs. Naast de kwaliteit van kinderopvang en peuterspeelzalen spelen er verschillende andere ontwikkelingen op het gebied van de voorschoolse voorzieningen. Zo is er vanuit het Rijk ingezet op de zogenoemde “pilot Startgroep”, waarbij kinderen vanaf 3 jaar in het pedagogisch klimaat van de school opgevangen worden om zo eventuele onderwijsachterstanden te verkleinen. Harmonisatie tussen peuterspeelzaalwerk en kinderdagopvang wordt landelijk gestimuleerd, met als gevolg de opkomst van de peuteropvang. Ook zijn de integrale kindcentra in opkomst, waarbij kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en onderwijs onder één dak zitten, bij voorkeur onder verantwoordelijkheid van het onderwijs. Deze ontwikkelingen hebben geen effect op de kwaliteit. De kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang blijven onveranderd hoog daar waar het om jonge kinderen gaat. Het is echter wel van belang om goed geïnformeerd te blijven over deze ontwikkelingen, om mogelijke consequenties hiervan op toezicht en handhaving te kunnen inschatten.

Rechtspraak bij dit artikel