Om te bepalen of er noodzaak bestaat voor ondersteuning in de vorm van dagbesteding wordt in elk geval afgewogen wat de aanleiding is dat cliënt niet in staat is om zijn of haar eigen dagstructuur vorm te geven. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre de cliënt een begeleide en gestructureerde omgeving nodig heeft als gevolg van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid (cognitief en/of fysiek).
Afgewogen wordt of een algemene voorziening inloop (Inloop Evean Lishof) tot voldoende resultaat kan leiden.
Onderzocht wordt of er recht bestaat of kan bestaan op permanent toezicht/24-uurszorg in de nabijheid op grond van de Wlz.
Als dat niet tot een oplossing leidt kan aanspraak bestaan op de voorziening dagbesteding.
Elementen die bij de weging worden betrokken zijn:
Cliënt scoort laag op het leefgebied dagbesteding via de zelfredzaamheidsmatrix;
Cliënt heeft geen mogelijkheden om, samen met anderen, een productie of dienst te leveren;
Cliënt is onvoldoende in staat om de eigen dagstructuur vorm te geven;
Cliënt heeft geen of een te beperkt eigen netwerk;
Er dreigt overbelasting van de mantelzorger of de mantelzorger is niet in staat om gedurende de volledige week de beperkingen in de zelfredzaamheid op te vangen;
Cliënt bevindt zich in sociaal isolement of dreigt hierin te raken.
Indien de cliënt ook sociaal medische hulpverlening krijgt, vindt overleg met deze hulpverlener(s) plaats. De informatie van bijvoorbeeld huisarts, wijkverpleegkundige, thuiszorg, geriater en/of dementieconsulent, wordt betrokken bij de afweging.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2
Artikel 3.2.4.2.