Vastgesteld moet worden of er sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie en dat belanghebbende zelf, al dan niet met behulp van zijn netwerk, onvoldoende resultaat kan behalen en of er een noodzaak is voor ondersteuning via de Wmo.
Allereerst dient onderzocht te worden of met de ondersteuning via de algemene voorziening voldoende resultaat behaald kan worden. Is dat niet het geval dan kan er een noodzaak zijn voor het bieden van een maatwerkvoorziening. Maatwerkvoorzieningen kennen verschillende verschijningsvormen, passend bij het resultaat dat behaald moet worden. Naast het algemene afwegingskader uit deze paragraaf, wordt bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening het specifiek afwegingskader (Hoofdstuk 3) van de betreffende maatwerkvoorziening betrokken.
Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening gaat het altijd om een individuele weging. De uitkomst kan per persoon verschillen. Bij de weging om zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren óf te voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op maatwerkvoorzieningen worden altijd de volgende elementen betrokken.
In de volgende artikelen worden deze elementen toegelicht: eigen kracht, gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen. Het element goedkoopst adequate voorziening (artikel 8 lid 5 van de Verordening) wordt in artikel 2.3.1.7.. van deze Beleidsregels ook toegelicht.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3
Artikel 2.3.1