Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1. Havengeld

Artikel 2.

Belastbaar feit en belastingplicht

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten 2018

Onder de naam “havengeld” wordt ingevolge deze verordening een recht geheven, dat verschuldigd is voor vaartuigen, waarmee overeenkomstig de bestemming van de gemeentehavens, gebruik wordt gemaakt. Havens als bedoeld in de Havenbeheersverordening Meierijstad (vastgesteld in de raadsvergadering van 18 januari 2018) Geen havengeld wordt geheven van: roeiboten, behorende bij vaartuigen, vaartuigen die aan het Rijk toebehoren, politieboten, hospitaalboten, Het recht wordt geheven van de gezagvoerder, de schipper, de kapitein, de reder, de eigenaar, de gebruikers, de bevrachter, de huurder van het vaartuig of de gemachtigde van een van dezen. De heffing van het recht vangt aan, zodra van de gemeentehaven gebruik wordt gemaakt. Bij langer verblijf dan zeven dagen ná de dag van aankomst in de gemeentehaven, is voor elk tijdvak van zeven dagen of gedeelte daarvan het recht opnieuw verschuldigd, tenzij dit langer verblijf wegens ijsgang, invriezing, abnormale waterstand ter plaatse of andere buitengewone omstandigheden noodzakelijk is. Binnen het in de vorige zinsnede bedoelde tijdsbestek van zeven dagen mag een vaartuig van de gemeentelijke havens en van de gemeentelijke los- en laadplaatsen aan de Zuid-Willemsvaart over en weer, onmiddellijk op elkaar aansluitend, gebruikmaken.

Rechtspraak bij dit artikel