Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 4.2

Regels persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Moerdijk

1. Het pgb mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. 2. Tussenpersonen of belangbehartigers mogen niet uit het pgb worden betaald. 3. Het pgb mag niet aan een persoon worden besteed die tot de leefeenheid van de cliënt behoort die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 4. De cliënt draagt zorg voor een afdoende verzekering tegen schade indien de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening wordt meegenomen naar het buitenland. 5. Indien de afschrijvingstermijn van het geïndiceerde hulpmiddel, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken kan deze door het verlenen van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst adequate (maatwerk)voorziening worden aangemerkt. 6. Het college verstrekt geen pgb als het bieden van een keuze voor het pgb negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorziening in natura. 7. Het pgb wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren. 8. Het college stelt in het Besluit nadere regels over de eisen voor de met het pgb aan te schaffen hulpmiddel of te realiseren woningaanpassing. Deze eisen kunnen ook van toepassing zijn indien een maatwerkvoorziening in natura wordt verleend.

Rechtspraak bij dit artikel