In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20, tweede lid en 38, twaalfde lid IOAW en de artikelen 20, tweede lid en 38, twaalfde lid IOAZ worden in ieder geval vermeld:
de reden van de verlaging;
de duur van de verlaging;
het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en;
indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.
Bij het opleggen van het besluit wordt in ieder geval getoetst aan:
de ernst van de gedraging
de mate van verwijtbaarheid
de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende
Artikel 3. Horen van belanghebbende
Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of
belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Hoofdstuk 1.
Artikel 2.
Het besluit tot opleggen van een verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Dronten 2018