Naar hoofdinhoud

Artikel 4:

Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Basisregistratie personen (BRP)

Voor het opleggen van een boete moet er sprake zijn van verwijtbaarheid. Het college kan van het opleggen van een boete afzien of kan een boete matigen indien de overtreder aannemelijk maakt dat op grond van: de ernst van de overtreding; de mate van verwijtbaarheid; de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, het opleggen van de (volledige) boete onevenredig is. Omstandigheden die niet leiden tot een vermindering van de mate van verwijtbaarheid zijn in ieder geval: het niet (voldoende) beheersen van de Nederlandse taal; het niet op de hoogte zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet; het niet in staat te zijn van het behartigen van de belangen, doordat wordt gesteld dat de overtreder tijdelijk niet op het adres heeft gewoond. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling; indien wordt gesteld dat er geen post is ontvangen door slechte postbezorging of gebrekenaan of ontbreken van een brievenbus.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel