Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K4, tweede lid, juncto artikel K6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.
Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van:
1 maand
gedurende de eerste
27 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
2 maanden
gedurende de eerste
26 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
3 maanden
gedurende de eerste
25 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
4 maanden
gedurende de eerste
24 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
5 maanden
gedurende de eerste
23 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
6 maanden
gedurende de eerste
22 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
7 maanden
gedurende de eerste
21 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
8 maanden
gedurende de eerste
20 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
9 maanden
gedurende de eerste
19 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
10 maanden
gedurende de eerste
18 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
11 maanden
gedurende de eerste
17 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
12 maanden
gedurende de eerste
16 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
13 maanden
gedurende de eerste
15 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
14 maanden
gedurende de eerste
14 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
15 maanden
gedurende de eerste
13 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
16 maanden
gedurende de eerste
12 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
17 maanden
gedurende de eerste
11 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
18 maanden
gedurende de eerste
10 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
19 maanden
gedurende de eerste
9 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
20 maanden
gedurende de eerste
8 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
21 maanden
gedurende de eerste
7 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
22 maanden
gedurende de eerste
6 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
23 maanden
gedurende de eerste
5 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
24 maanden
gedurende de eerste
4 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
25 maanden
gedurende de eerste
3 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
26 maanden
gedurende de eerste
2 maanden
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
27 maanden
gedurende de eerste
1 maand
80%,
vervolgens 33 maanden
70%;
28 maanden
gedurende
33 maanden
70%;
29 maanden
gedurende
32 maanden
70%;
30 maanden
gedurende
31 maanden
70%;
31 maanden
gedurende
30 maanden
70%;
32 maanden
gedurende
29 maanden
70%;
33 maanden
gedurende
28 maanden
70%;
34 maanden
gedurende
27 maanden
70%;
35 maanden
gedurende
26 maanden
70%;
36 maanden
gedurende
25 maanden
70%;
37 maanden
gedurende
24 maanden
70%;
38 maanden
gedurende
23 maanden
70%;
39 maanden
gedurende
22 maanden
70%;
40 maanden
gedurende
21 maanden
70%;
41 maanden
gedurende
20 maanden
70%;
42 maanden
gedurende
19 maanden
70%;
43 maanden
gedurende
18 maanden
70%;
44 maanden
gedurende
17 maanden
70%;
45 maanden
gedurende
16 maanden
70%;
46 maanden
gedurende
15 maanden
70%;
47 maanden
gedurende
14 maanden
70%;
48 maanden
gedurende
13 maanden
70%;
49 maanden
gedurende
11 maanden
70%;
50 maanden
gedurende
10 maanden
70%;
51 maanden
gedurende
9 maanden
70%;
52 maanden
gedurende
8 maanden
70%;
53 maanden
gedurende
7 maanden
70%;
54 maanden
gedurende
6 maanden
70%;
55 maanden
gedurende
5 maanden
70%;
56 maanden
gedurende
4 maanden
70%;
57 maanden
gedurende
3 maanden
70%;
58 maanden
gedurende
2 maanden
70%;
59 maanden
gedurende
1 maand
70%;
De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7 tot en met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.
Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.
Hoofdstuk
Artikel 11a:17
Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte
Onderdeel van CAR-UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst)