Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts eén persoon als levenspartner worden aangemerkt.
Hoofdstuk
Artikel 21:1:1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van CAR-UWO (Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst)