Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:31 intrekken of wijzigen:
in het geval van een bedrijf als bedoeld in artikel 2:29, onder a, de exploitant of beheerder/leidinggevende niet meer voldoet aan de eisen als genoemd in artikel 2:34, onder c;
indien de exploitant of beheerder/leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:31 genoemde vergunning; of
indien de exploitant of beheerder/leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of
indien er in het bedrijf strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
indien aannemelijk is dat de exploitant of beheerder/leidinggevende van het bedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit het bedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; of
indien zich in of vanuit het bedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het bedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf; of
indien er sprake is van een wijziging in de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 2:31 is verstrekt en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:33; of
indien de bedrijfsmatige activiteiten in strijd zijn met een geldend bestemmingsplan of de Wet milieubeheer; of
indien er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 7B.
Artikel 2:39