Naar hoofdinhoud
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt de vergunning, als bedoeld in artikel 2:17, eerste lid, door de burgemeester ingetrokken indien: de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn met de aan de in artikel 2:17, eerste lid, genoemde vergunning; de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:20, onder c genoemde eisen; er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:19; aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; zich in of vanuit zijn inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel