1. De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.
2. Het horen vindt in beginsel plaats door de voorzitter, dan wel diens plaatsvervanger en twee leden. Voor het houden van een hoorzitting is vereist dat tenminste één lid en de (plaatsvervangend) voorzitter aanwezig zijn.
3. In afwijking van het vorige lid van dit artikel kan het horen van een bezwaarde plaatsvinden door alleen de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, indien:
a. sprake is van een bezwaarschrift, gericht tegen een besluit op grond van de Huisvestingsverordening Holland Rijnland;
b. sprake is van een bezwaarschrift, gericht tegen een besluit over een gehandicaptenparkeerkaart;
c. sprake is van een niet-ontvankelijkheid van de bezwaren.
4. In afwijking van het tweede lid van dit artikel hoort de commissie bij ontstentenis van de (plaatsvervangend) voorzitter met tenminste twee leden. Alsdan voorziet de commissie voor de duur van de hoorzitting in een waarnemend voorzitter ten aanzien van het horen.
5. De commissie kan de bevoegdheid om over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb te beslissen mandateren aan de voorzitter.
6. Indien de voorzitter op grond van het vijfde lid besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan belanghebbende(n) en het verwerend orgaan.
7. De voorzitter kan de bevoegdheden van lid 1 van dit artikel mandateren aan de secretaris van de commissie.
Hoofdstuk
Artikel 11.
Hoorzitting
Onderdeel van Verordening behandeling bezwaarschriften Alphen aan den Rijn 2014