Naar hoofdinhoud
1. Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het presidium de voorlopige agenda van de vergadering vast. 2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. 3. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren. Een van de agenda afgevoerd agendapunt kan niet meer in dezelfde vergadering hierop worden teruggeplaatst. 4. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen. 5. Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen. 6. Bij het opstellen van de agenda wordt onderscheid gemaakt tussen agendapunten waarover, gelet op het advies van de betrokken commissies, wel of niet woordvoering wordt gewenst. Ieder raadslid kan tot 17.00 uur op de dag voorafgaand aan de vergadering waarvoor het punt is geagendeerd, aan de griffier kenbaar maken dat hij over een punt dat is opgenomen op de lijst van stukken waarover geen woordvoering wordt gewenst, alsnog het woord wenst te voeren. De voorzitter doet daarvan mededeling bij de aanvang van de vergadering. 7. De voorzitter kan een lid dat hem daarom vóór het begin van de vergadering heeft gevraagd, in de gelegenheid stellen een korte verklaring af te leggen over een onderwerp dat niet op enig agendapunt betrekking heeft. Over deze verklaring wordt niet beraadslaagd.

Rechtspraak bij dit artikel