De aanvrager van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet wordt geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben wanneer op de peildatum
de aanvrager een opleiding volgt die recht geeft op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijs- en studiekosten (WTOS) of studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en die leidt tot een opleidingsniveau dat niet eerder door de aanvrager is behaald, of
in het kader van de uitvoering van de van kracht zijnde Re-integratieverordening Participatiewet is geoordeeld dat de aanvrager een geringe afstand tot de arbeidsmarkt heeft en derhalve in staat geacht wordt om binnen een jaar arbeid te aanvaarden, waarmee een inkomen van meer dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm bereikt kan worden, of
door verwijtbaar eigen toedoen van de aanvrager een situatie ontstaan is van grote afstand tot de arbeidsmarkt, zoals omschreven in de hierboven genoemde verordening, of
de aanvrager een dienstverband heeft en de ontwikkeling van de arbeidsomvang, de ontwikkeling van de salariëring of de schaalindeling volgens de geldende CAO de verwachting rechtvaardigen dat binnen twee jaar een inkomen van meer dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm bereikt zal worden.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.1