**1..** De leidinggevende en de medewerker evalueren regelmatig (iedere twee weken) hoe het gaat, of de afspraken in het plan worden nagekomen en of het plan nog past bij de situatie van de medewerker.
**2..** Voor een goede begeleiding is tussentijdse evaluatie door de bedrijfsarts, de leidinggevende, de personeelsadviseur en de medewerker noodzakelijk. De medewerker bespreekt dan ook zo vaak als nodig is voor een goede begeleiding, maar in ieder geval eens per zes weken, de voortgang met de bedrijfsarts.
**3..** Tijdens deze evaluatiemomenten wordt telkens vastgesteld in hoeverre de gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in het plan van aanpak, zijn nagekomen. Tevens wordt besproken of het verwachte herstel daadwerkelijk is gerealiseerd.
**4..** De leidinggevende wordt hierover geïnformeerd door de medewerker en de bedrijfsarts (spreekuurverslag, SMT).
**5..** Zo nodig wordt het oorspronkelijke plan van aanpak bijgesteld.
**6..** De bedrijfsarts verstuurt na ieder contactmoment met de medewerker een spreekuurverslag over de voortgang aan de leidinggevende (digitaal via de personeelsadviseur). De medewerker krijgt dit rechtstreeks van de bedrijfsarts. In het spreekuurverslag wordt vermeld welke activiteit is uitgevoerd en wat dit voor gevolgen heeft voor de werkhervatting. Tevens wordt aangegeven welke werkzaamheden de medewerker, in plaats van reguliere taken, eventueel kan uitvoeren.
**7..** Voor afloop van het eerste ziektejaar evalueren de medewerker en de leidinggevende de stappen die in het eerste jaar zijn gezet om de re-integratie te bevorderen. Er wordt vastgesteld of het verstandig is om het plan van aanpak bij te stellen. De evaluatie wordt onderdeel van het re-integratieverslag.