In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;
andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet;
basisvoorziening: voorzieningen die gezien kunnen worden als regulier maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente, zoals: huisartsen, jongerenwerk, religieuze organisaties, onderwijs, kinderopvang, politie of verenigingen;
budgethouder: degene die bevoegd is het persoonsgebonden budget te beheren dat wordt aangewend voor de bekostiging van de individuele voorziening voor de jeugdige of zijn ouders;
gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders (zie: Gebruikelijke zorg van de CIZ-beleidsregels 2017);
maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een besluit of beschikking, een verwijzing huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of van een functionaris in justitieel kader als bedoeld in de wet (voorheen ook wel individuele voorziening genoemd);
ondersteuningsplan: Plan waarin de doelen en gewenste resultaten staan beschreven. Dit plan kan als leidraad dienen voor de in te zetten ondersteuning. Bij de verstrekkingvorm pgb is dit plan verplicht om in te vullen door de budgethouder;
ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder, als bedoeld in artikel 1.1. van de wet;
persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken;
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen;
Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;
wet: Jeugdwet.
commissie van handelingsgerichte diagnostiek (HGD): een commissie bestaande uit de orthopedagoog van de school, een CJG- medewerker en een of meerdere gedragswetenschappers van de aan het Onderwijsjeugdhulparrangement verbonden jeugdhulpaanbieders, eventueel aangevuld met een systeemtherapeut, die zich bezig houdt met (1) de nieuwe aanmeldingen, (2) het bepalen van haalbare leer- en ontwikkelingsdoelen én (3) met de monitoring van de voortgang van de reeds lopende onderwijs-jeugdhulptrajecten. Het gaat erom, met alle betrokkenen een verklarende analyse te maken wat zich vertaalt in een onderwijs-zorgplan en een gezinsplan. De commissie heeft een onafhankelijk voorzitter.
onderwijsjeugdhulparrangement (OJA): een integrale samenwerking rondom kind en ouders tussen onderwijs en jeugdhulp. Deze samenwerking komt tot stand als kinderen zowel extra ondersteuning in het (speciaal) onderwijs nodig hebben als extra ondersteuning vanuit jeugdhulp/zorg. Een OJA richt zich dus op leerlingen met een onderwijs- en ondersteuningsbehoefte waar het regulier of speciaal onderwijs niet alleen in kan voorzien. Het doel van een OJA is om samen (onderwijs en jeugdhulp) met kind en ouders tot een passend pakket van integrale ondersteuning te komen in school- en thuissituatie.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.