Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5

Artikel 13.

Maximaal eigen vermogen

Onderdeel van Algemene subsidieverordening Vlissingen 2018

1. Een instelling die in structurele zin subsidie aanvraagt mag over een eigen vermogen beschikken dat bestaat uit: a. de boekwaarde van inventaris en onroerende zaken in eigen gebruik; en b. bestemmingsreserve ten behoeve van zaken als genoemd in het derde lid; en c. een egalisatiereserve van maximaal 10% van het totaal verleende gemeentelijk subsidiebedrag en de overige inkomsten, of een egalisatiereserve van maximaal 25% van het verleende gemeentelijk subsidiebedrag en de overige inkomsten ingeval van een subsidieaanvrager die een gebouw in eigendom exploiteert. 2. Bij het bepalen van de hoogte van het eigen vermogen worden uitsluitend voorzieningen geaccepteerd die concrete, geïdentificeerde verplichtingen of risico’s betreffen die hun oorsprong vinden in het verslagjaar of in voorafgaand boekjaar of strekken tot een gelijkmatige verdeling van de kosten over de jaren en die aantoonbaar redelijk zijn gekwalificeerd. Voorzieningen voor normale bedrijfsrisico’s zoals voornemens en plannen voor het verevenen van resultaten worden beschouwd als eigen vermogen. 3. Bij het bepalen van de hoogte van de bestemmingsreserves worden de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd: a. onroerende zaken: 40 jaar; b. automatisering: 5 jaar; c. inventaris: 15 jaar; d. goederen en zaken. Dit zijn goederen en zaken welke naar het oordeel van het college nodig zijn voor de uit te voeren activiteiten. Per soort stelt het college een afschrijvingstermijn vast. 4. Wanneer het eigen vermogen van een instelling groter is dan het maximaal toegestane bedrag als bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangevraagde subsidie. 5. Het college kan bepalen dat de mindering wordt verspreid over maximaal drie jaar. 6. Het college kan bepalen dat het bedrag van het eigen vermogen dat het maximumbedrag als bedoeld in het eerste lid overstijgt, mag worden besteed voor zover deze activiteiten passen binnen het beleid van de gemeente Vlissingen. 7. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op binnen Vlissingen actieve onderwijsinstellingen voor primair, voortgezet en/of beroepsonderwijs.

Rechtspraak bij dit artikel