De wettelijke basis voor het mogen maken van een uitweg is artikel 2: 12 van de APV. Dit artikel luidt als volgt:
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
Het is verboden een uitweg te maken naar de weg:
indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, met bij de melding een situatieschets van de gewenste uitweg.
indien het college het maken van de uitweg heeft verboden.
Het college verbiedt het maken van de uitweg:
indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht,
indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeergelegenheid,
indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast,
indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeergelegenheid of het openbaar groen of ten koste gaat van het normale gebruik van de openbare ruimte, tenzij er dringende sociale of economische redenen zijn om de uitweg aan te leggen.
De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
Elke uitweg dient te worden aangelegd en te voldoen aan de hieromtrent door het college vastgestelde en bekendgemaakte nadere regels.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
Artikel 2)