Alle kosten die voortvloeien uit de verstrekking van de garantieverlening of lening zijn voor rekening van de aanvrager. Bij leningen wordt door de gemeente een rentevergoeding in rekening gesteld. Indien dat nodig wordt geacht, kan het college van burgemeester en wethouders bij verstrekken van een garantie besluiten een risico- of garantstellingsprovisie bij de aanvrager in rekening te stellen.
De door de gemeente betaalde bedragen uit hoofde van de garantie blijven als een direct opeisbare schuld op de aanvrager rusten. De terugbetaling van de door de gemeente gedane betalingen vindt plaats met vergoeding van de dan geldende wettelijke rente, te berekenen vanaf het tijdstip dat door de gemeente uit hoofde van de garantstelling betalingen zijn verricht.