Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Paragraaf 1.2

Artikel 1.2.1

Afbakening Wmo met de Wet langdurige zorg (Wlz)

Onderdeel van Uitvoeringsregels Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2018, eerste wijziging

De Wmo bepaalt dat een maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en de daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Uitgangspunt is dus dat een persoon met een indicatie voor de Wlz niet meer onder de Wmo valt. Ook wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een indicatie, kan een maatwerkvoorziening worden geweigerd. Er moet dan wel goed onderzocht worden of de cliënt echt een Wlz-indicatie kan krijgen. Dit kan bijvoorbeeld door overleg met het CIZ of door een medisch advies. Alleen een vermoeden is dus niet genoeg om een maatwerkvoorziening af te wijzen. Uiteraard kan een cliënt met een Wlz-indicatie dan wel gebruik maken van algemene voorzieningen. Er zijn door het kabinet een aantal uitzonderingen in het leven geroepen: Hulpmiddelen (inclusief vervoersvoorzieningen) en woningaanpassingen voor cliënten met een Wlz-indicatie die nog thuis wonen, blijven vooralsnog onder de Wmo vallen. Onder “thuis wonen” wordt verstaan: het thuis Wlz-zorg ontvangen en de zorg geleverd krijgen in de vorm van een Persoonsgebonden Budget (PGB), modulair pakket thuis (MPT) of volledig pakket thuis (VPT). Bovenstaande geldt tot een nader vast te stellen tijdstip ook voor mobiliteitshulpmiddelen voor Wlz-gerechtigden in een Wlz-instelling zonder behandeling.

Rechtspraak bij dit artikel