Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.2

Criteria

Onderdeel van Uitvoeringsregels Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2018, eerste wijziging

Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015.) Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp wordt verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Dit wil zeggen de personen waarmee de betrokkene een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is sprake wanneer twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins." Met anderszins wordt bijvoorbeeld gedoeld op de situatie waarin geen kosten worden gedeeld maar men wel voor elkaar zorgt. De algemene wettelijke definitie bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3 Wmo): het moet gaan om twee personen; men moet het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning; men moet blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het is uitdrukkelijk niet mogelijk dat meer dan twee personen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Echter, wanneer er meer dan twee personen in een woning wonen dan is het mogelijk dat van deze groep twee personen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Daarnaast mogen de personen niet al voor de Wmo 2015 gehuwd met iemand anders zijn. Iemand die gehuwd is, kan namelijk geen gezamenlijke huishouding voeren met een ander dan zijn echtgenoot. Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. Als uitgangspunt geldt dat het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning voor de gemeente aanleiding is om te onderzoeken of ook aan de overige criteria van het begrip gezamenlijke huishouding wordt voldaan. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat de dochter of zoon van een cliënt in de Basisregistratie personen (Brp) is ingeschreven op het adres van cliënt is onvoldoende om te spreken van een gezamenlijke huishouding. Onder woning wordt verstaan een zelfstandige woning, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn. Er is geen sprake van een zelfstandige woning, als een wezenlijke woonfunctie als de douche of de keuken wordt gedeeld Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt ook wel het verzorgingscriterium genoemd en is in de praktijk het lastigste om aan te tonen. De betrokkenen moeten voor elkaar zorgdragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De loutere aanwezigheid van een contract of van bewijsstukken dat huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren. Het is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Wanneer er echter enkel door één van beide personen zorg wordt geboden is aan het verzorgingscriterium niet voldaan. Denk hierbij aan een situatie waarbij iemand in huis verblijft die bij voorbeeld verzorgd en verpleegd moet worden zonder dat deze persoon daar enige tegenprestatie voor levert. Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als er een mate van financiële verstrengeling aanwezig is, die verder reikt dan de betaling van de huur of het kostgeld en een wederzijdse verzorging die niet beperkt blijft tot het onderhoud van de gehuurde kamer of de levering van de overeengekomen diensten, zoals de maaltijden of de bewassing. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan de gemeente een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Voor hulp bij het huishouden en kinderen gelden de volgende uitgangspunten: Van huisgenoten jonger dan 5 jaar wordt geen bijdrage gevraagd; Van huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar wordt verwacht dat er huishoudelijke taken kunnen worden verricht (bijvoorbeeld opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien); Van huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar wordt naast de genoemde werkzaamheden voor kinderen tot en met 12 jaar ook verwacht dat de bedden worden verschoond, de stofzuiger gehanteerd, alle boodschappen kunnen doen; Van alle huisgenoten tussen 18 en 23 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kunnen voeren en daarbinnen alle werkzaamheden kunnen uitvoeren; Van huisgenoten ouder dan 23 jaar wordt verwacht dat zij een volledig meerpersoonshuishouden kunnen voeren met alle bijbehorende taken. Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Bovendien hoeven mantelzorgers niet per se een gezamenlijke huishouding te voeren met de zorgvrager. Ook niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want er is dan geen sprake van een gezamenlijke huishouding. De gemeente kan wel met de cliënt bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden. Bij gebruikelijke hulp moet onderzocht worden of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van (dreigende) overbelasting. Bij dat onderzoek moet de gemeente beoordelen of sprake is van (dreigende) overbelasting van de partner, inwonend kind of huisgenoot van cliënt, waarbij aandacht moet worden besteed aan zijn draaglast en draagkracht. Bekeken moet worden of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/ haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch nog in staat is gebruikelijke hulp aan cliënt te verlenen. Als dat niet het geval is en er is dus sprake van (dreigende ) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een indicatie moeten verstrekken. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk gebruikelijke hulp op zich moet nemen daartoe niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting, die anderszins niet door hem is op te lossen. De gemeente moet de cliënt met beperkingen dan ondersteunen. Het gaat dan om indiceerbare zorg alsof de cliënt zonder gebruikelijke zorger woont. Er is een variëteit aan respijtvoorzieningen waarmee vervangende zorg vorm zou kunnen krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang, een logeerhuis en kortdurend verblijf. Ook kan het maatwerk bestaan uit het bieden van diensten, hulpmiddelen of andere maatregelen die van belang zijn bij het ondersteunen van een cliënt door een mantelzorger. Een cliënt kan in aanmerking komen voor de Mantelzorgkamer als hij/zij, zijn/haar mantelzorger tenminste 3 maanden 8 uur per week in het lopende of voorafgaande jaar heeft ingezet. Het doel is het ontlasten van de mantelzorger. Er kan naar de Mantelzorgkamer worden verwezen door zorgaanbieders, huisarts, wijkverpleegkundigen en steunpunten mantelzorg (SWB en R Zijn). Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt. Denk hierbij aan stomaverzorging in plaats van toiletgang en sondevoeding in plaats van eten. Van bovengebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van bovengebruikelijke hulp. Van partners, volwassen kinderen en huisgenoten mag in kortdurende situaties (maximaal 3 maanden) verwacht worden dat zij elkaar hulp, begeleiding en persoonlijke verzorging geven. Redenen als “niet gewend zijn om ” of geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen verrichten” leiden niet tot aanspraak op hulp. Indien de verzorgende huisgenoot overbelast dreigt te worden dan wordt hier incidenteel rekening mee gehouden. Maatwerk wordt hier geboden. Rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, zowel bij gezondheid als ziekte. Zij dienen te zorgen voor opvoeding van hun kinderen, het geestelijke en lichamelijke welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Bij uitval van één van de ouders, dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Hierbij dienen zij zelf naar oplossingen voor problemen in de zorg te zoeken. Zorgverlof, mantelzorg of andere voorliggende voorzieningen als kinderopvang, kunnen een oplossing bieden. Indien deze zorg niet realiseerbaar is dan kan een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend worden. In kortdurende situaties wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en eenvoudige verpleegkundige handelingen geven, voor zover zij hiertoe in staat zijn. Bij langdurige situaties valt alleen de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding onder gebruikelijke hulp. Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte en duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Mantelzorg is niet afdwingbaar waardoor voor de zorg die door de mantelzorger geboden wordt ook aanspraak op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kan bestaan. Dit is het geval wanneer de mantelzorger de zorg (tijdelijk) niet meer kan of wil verlenen. Zorg vanuit het sociaal netwerk is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving zonder directe familierelatie, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie (vriend of kennis). Zorg vanuit het sociaal netwerk vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie overhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging etc. Personen uit het sociale netwerk kunnen dus ook mantelzorgers zijn, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Het verschil kan zitten in de intensiteit en frequentie van de zorg. Vaak wordt mantelzorg gezien als structurele hulp (wekelijks of zelfs dagelijks). Hulp uit het sociale netwerk kan ook incidenteel zijn. Denk aan het snoeien van de heg 2 keer per jaar. Of een klein klusje zoals het, weliswaar wekelijks, aan de straat zetten van de afvalcontainer. Met het hanteren van algemeen gebruikelijke voorzieningen wordt bedoeld te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de betrokken gehandicapte, aannemelijk is dat deze, ook als hij/zij niet gehandicapt was, hierover zou (hebben kunnen) beschikken. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke aanvrager. De volgende criteria moeten in elk individueel geval getoetst worden: Is de voorziening gewoon verkrijgbaar? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor gehandicapten ontworpen? Zou een gezonde persoon, ook gelet op de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de leeftijd, over de voorziening beschikken? Een voorbeeld van een voorziening die vaak algemeen gebruikelijk kan zijn is een fiets met trapondersteuning voor een cliënt op leeftijd. Een veertienjarige jongen zou er normaal gesproken nooit gebruik van maken. Als die veertienjarige als gevolg van een ongeval geen gebruik meer kan maken van een normale fiets, is een fiets met trapondersteuning voor hem niet algemeen gebruikelijk. Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is moet dus altijd rekening gehouden worden met de persoonskenmerken van de cliënt. Maar ook de financiële mogelijkheden van de cliënt moeten in de beoordeling meegenomen worden. Er moet dan gekeken worden of een gezond persoon in ongeveer de zelfde leefomstandigheden de betreffende voorziening ook zou (kunnen) aanschaffen. Als het antwoord hierop ja is, dan is het aan cliënt om aan te tonen dat hij de voorziening echt niet kan betalen. Er wordt dus niet letterlijk naar inkomen, vermogen en kosten gekeken. Voorbeelden van voorzieningen die vaak algemeen gebruikelijk zijn: Fiets met trapondersteuning, tandem; Verhoogd/hangend toilet; Alle vormen van kranen (éénhendel- mengkranen, thermostaatkranen en glijstangset; Boodschappendiensten supermarkten; Glazenwasser; Tuinonderhoud; Commercieel sportaanbod; Gemaksdiensten van de zorgverzekeraar. Algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, eventueel zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Deze diensten en/of producten zijn voor iedereen toegankelijk en/of verkrijgbaar, zonder toets of beschikking. Algemene voorziening kunnen commerciële diensten zijn zoals een maaltijdvoorziening of een boodschappenbezorgdienst van een supermarkt, maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals het restaurant van een verzorgingshuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten. In de gemeente Westerwolde bestaan de volgende algemene voorzieningen: dagbesteding met laag intensieve ondersteuning; de was- en strijkservice; de klussendienst. De bedoeling is dat er steeds meer algemene voorzieningen komen zodat inwoners minder een beroep hoeven te doen op (duurdere) maatwerkvoorzieningen. Deze voorzieningen zijn bedoeld voor inwoners vanaf 65 jaar en/of chronisch zieken. Andere voorzieningen zijn voorzieningen anders dan in het kader van de Wmo 2015 (let op! Geen limitatieve opsomming): Opvoed- en opgroeiondersteuning in de vorm van advies en informatie (dit valt onder de Jeugdwet); Jeugdgezondheidszorg; Schoolmaatschappelijk werk; Algemeen maatschappelijk werk; Schuldsanering; Licht ambulante hulp zoals opvoedkundige cursussen en trainingen (dit valt onder de Jeugdwet); Openbaar vervoer; Servicebus; Onderwijs; Kinderopvang, buitenschoolse opvang; Buurthuizen, jeugdcentra; Jeugdwelzijnswerk en jongerenwerk; Vrijwillige thuishulp; Sociale alarmering; Burenhulp; Rolstoel uitleen voor incidentele situaties; Voorzieningen voor ontspanning, sport/bewegen, kunst en cultuur; Voor- en vroegschoolse voorzieningen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel