Naar hoofdinhoud
1.. In afwijking van de artikelen 2 tot en met 5 van deze beleidsregels kan, op verzoek van belanghebbende, gedeeltelijk van (verdere) terugvordering worden afgezien, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid van dit artikel bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid van de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen welke: vorderingen als gevolg van verwijtbaar gedrag van belanghebbende; door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 3.. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling, zoals bedoeld in het eerste lid, tot stand is gekomen. 4.. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd, indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Indien de belanghebbende in beginsel in staat moet worden geacht zijn schulden binnen een redelijke periode te kunnen voldoen, is er geen reden om af te zien van terugvordering. Pas als voorzienbaar is dat de belanghebbende niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden kan er aanleiding zijn om gedeeltelijk van terugvordering af te zien (algemene bevoegdheid artikel 58 Participatiewet). Omdat volgens de ‘Gedragscode Schuldregeling Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet’ slechts aan schuldsanering wordt meegewerkt als het hele schuldbedrag kan worden gesaneerd, kan de gemeente alleen dan toestemmen in het gedeeltelijk afzien van terugvordering indien alle schuldeisers meewerken. Immers, een schuldregeling kan alleen dan tot stand komen als alle schuldeisers hieraan meewerken. Ten aanzien van fraudeschulden wordt een strengere houding in acht genomen. Indien de rechter op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen een schuldsaneringstraject vaststelt met inbegrip van de fraudeschuld zal de gemeente zich hierbij neer moeten leggen. De wetgever heeft in artikel 60c opgenomen dat geen medewerking wordt verleend aan een schuldregeling indien de vordering het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht. Dit betreft echter alleen die vorderingen welke vallen onder de verplichte terugvordering en dus zijn ontstaan na 1 januari 2013. In niet alle gevallen is het redelijk om strikte toepassing te geven aan het bepaalde in het 2e lid onder a. te weten het niet verlenen van medewerking in geval van verwijtbare vorderingen. Het moet o.a. onredelijk worden geacht om daar waar de verwijtbare vordering slechts een fractie uitmaakt van het totaal te saneren schuldenpakket, op grond van strikte toepassing een sanering te blokkeren. Daarnaast kan het mogelijk zijn dat op grond van een minnelijke regeling of sanering meer zal worden ontvangen dan bij uiteindelijke toelating tot de WSNP. Ook in deze gevallen is de gemeente erbij gebaat om akkoord te gaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel