Het vervoer van leerlingen van huis naar school en terug is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de ouders. In de Wet Passend Onderwijs wordt voor het leerlingenvervoer gesproken over “de van ouders redelijkerwijs te vergen inzet”. Bij het beoordelen van een aanvraag voor leerlingenvervoer wordt daarom in eerste instantie gekeken naar de specifieke (on)mogelijkheden van het kind en zijn ouders. De zelfstandigheid van de leerling en het streven naar de meest optimale vorm van zelfstandigheid is daarbij het uitgangspunt. De kern van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Zevenaar 2018 is dan ook gericht op het in eerste instantie reizen per fiets, of het reizen per openbaar vervoer, desnoods met (tijdelijke) begeleiding. In sommige gevallen is het kind blijvend aangewezen op (specifiek) aangepast vervoer. In andere gevallen kan met behulp van training en/of tijdelijke begeleiding het kind leren zelfstandig naar school te gaan. Het toekennen van leerlingenvervoer is maatwerk, waarbij iedere aanvraag individueel wordt beoordeeld.
De gemeente heeft een actieve rol om de zelfredzaamheid te bevorderen door gesprekken aan te gaan met de school en de ouders. Hiervoor zijn er vaste contactmomenten met de ouders van leerlingen:
het moment van de eerste aanvraag;
het moment waarop een kind 12 jaar is geworden;
ieder jaar nadat de leerling 12 jaar is geworden en nog niet zelfstandig reist, met uitzondering van de gevallen waarin duidelijk is dat de leerling dat voorlopig of nooit zelfstandig zal kunnen reizen op grond van de handicap.
§ 1
Artikel 3.
Beoordelingskader
Onderdeel van Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Zevenaar 2018