**1..** Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 Wet BRP in samenhang met artikel 5:40 Awb.
**2..** Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien:
er geen aangifte van eerste inschrijving, verhuizing of vertrek wordt gedaan;
er geen informatie wordt gegeven, er geen geschriften worden overlegd, of indien niet in persoon wordt verschenen;
de briefadresgever of hoofd van een instelling niet voldoet aan het geven van informatie of zorgplicht jegens de ingeschrevene of de gemeente Breda;
niet wordt voldaan aan de identiteitsplicht;
er geen buitenlandse overlijdensakte wordt overlegd;
er geen akten of andere brondocumenten worden overlegd;
de gelegenheidsgever bewust toelaat dat iemand op zijn woonadres staat ingeschreven, terwijl de gelegenheidsgever weet dat deze persoon niet op dit woonadres woonachtig is;
er een aangifte wordt gedaan met overlegging van valse documenten.
**3..** Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
de overtreder is overleden;
aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd.
**4..** Bij het opleggen van de bestuurlijke boete zal de lichte procedure gevolgd worden. Het college is bevoegd de bestuurlijke boete op te leggen zonder alvorens de burger in de gelegenheid te geven om zijn zienswijze naar voren te brengen.
**5..** De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 2:
Artikel 2: