Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
het aanleggen, stoken of hebben van een vuur op terreinen buiten de bebouwde kom en:
het op te stoken materiaal uitsluitend bestaat uit snoeihout;
het vuur onder toezicht staat van een meerderjarig persoon;
het stoken plaatsvindt op een afstand van meer dan 30 meter van een gebouw en/of van een opstapeling van oogstproducten en op een afstand van meer dan 100 meter van een bos, heide- of duinterrein en veengrond en het stoken overigens geen gevaar, overlast of hinder oplevert voor de omgeving;
de maximale hoeveelheid op te stoken snoeihout maximaal 10m³ bedraagt;
het stoken plaatsvindt tussen 1 oktober en 15 maart, maar niet op zon- en feestdagen;
het aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op locaties met een vast aangewezen kampvuurplaats en:
de kampvuurplaats als zodanig door het college is aangewezen en voldoet aan de daarbij gestelde eisen;
er vooraf melding is gemaakt van het voornemen tot aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op een door het college aan te geven wijze;
de door of namens het college met betrekking tot het gebruik van de kampvuurplaats opgelegde voorwaarden en/of voorschriften in acht worden genomen.
het aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op locaties zonder een vast aangewezen kampvuurplaats en:
er vooraf melding is gemaakt van het voornemen tot aanleggen, stoken of hebben van een kampvuur op een door het college aan te geven wijze;
het aanleggen, stoken en hebben van het vuur geschied onder voortdurend toezicht van een meerderjarig persoon;
het op te stoken materiaal bestaat uit schoon en onbehandeld hout;
er niet meer dan 1 m3 tegelijk wordt verbrand;
het vuur op voldoende afstand wordt gehouden van bos, weide, landbouwgewassen, gebouwen, wegen, etcetera en minimaal 30 meter afstand van opstapelingen van oogstproducten;
er geen sprake is van felle wind (meer dan windkracht 5) of zeer grote droogte;
er bij het vuur voldoende blusmiddelen aanwezig zijn, waaronder zandschoppen;
het vuur na afloop wordt gedoofd met zand, waarna de toezichthoudende persoon controleert of het vuur niet oplaait.
De in het tweede lid onder a en b genoemde vrijstellingen gelden niet als sprake is van een door berichtgeving via radio en/of TV kenbaar gemaakte waarschuwingsfase van verhoogde concentratie luchtverontreiniging of als er sprake is van een periode van grote droogte waardoor er een verhoogd risico op bosbranden bestaat.
Het college kan van dit verbod genoemd onder lid 1 ontheffing verlenen ontheffing verlenen, met uitzondering van het stoken van snoeihout tussen 16 maart en 30 september.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5:34
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2018