1. Mandaat: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen.
2. Afdoeningsmandaat: de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, met inbegrip van het ondertekenen daarvan.
3. Submandaat/ondermandaat: een door een gemandateerde verleend mandaat, van een aan hem/haar gemandateerde bevoegdheid, aan een ander.
4. Volmacht: de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.
5. Machtiging: de bevoegdheid tot het verrichten van feitelijke handelingen ter onderscheiding van mandaat en volmacht.
6. Bevoegdhedenlijst: een overzicht van de door bestuursorganen aan gemandateerden, gevolmachtigden en gemachtigden verleende bevoegdheden.
7. Mandaatgever: degene die mandaat verleent.
8. Volmachtgever: degene die volmacht verleent.
9. Gemandateerde: degene aan wie mandaat is verleend.
10. Gevolmachtigde: degene aan wie volmacht is verleend.
11. Gemachtigde: degene aan wie een machtiging is verleend.