Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5. › Afdeling 1.

Artikel 5:1

Begrips- en verbodsbepalingen

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2011

In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). c stilstaan: op een zodanige wijze waardoor op de weg gevaar wordt/kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt/kan worden gehinderd. Het is verboden om als bestuurder een voertuig te parkeren op/ bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan, voor een inrit of uitrit, buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg, op een parkeergelegenheid terwijl dat voertuig niet behoort tot de aangegeven categorie of groep voertuigen (E8), op een parkeergelegenheid op een andere dan de aangegeven wijze, op een parkeergelegenheid op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord verboden is, langs een gele onderbroken streep, op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen (E7), op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend, op een parkeergelegenheid (borden E4 tot en met E13), buiten de aangegeven parkeervakken, als bestuurder een voertuig dubbel parkeren, als bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep, terwijl dat motorvoertuig niet is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen, als bestuurder van een motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren op plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep, terwijl dat motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf en de toegestane parkeertijd is verstreken, als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een motorvoertuig op meer dan twee wielen waar het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats voertuig is bestemd, als bestuurder op een gehandicaptenparkeerplaats parkeren anders dan met een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin duidelijk zichtbaar is aangebracht een geldige gehandicaptenparkeerkaart, te parkeren in strijd met een parkeerverbod/parkeerverbodszone dat middels verkeersborden aangegeven is (E1), voertuig laten staan in een park, plantsoen of op openbare beplantingen of groenstroken. Het is verboden om als bestuurder een voertuig stil te laten staan: op een kruispunt, op een fietsstrook, op de rijbaan langs een fietsstrook, op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan, in een tunnel, bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering, bij een bord bushalte op een afstand van minder dan twaalf meter van dat bord terwijl de geblokte markering niet is aangebracht, op de rijbaan langs een busstrook, langs een gele doorgetrokken streep, op een overweg.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel