**1..** Indien de cliënt komt te overlijden, onderzoekt het college of de vordering op de nalatenschap van het pgb kan worden verhaald. Indien de vordering niet op de nalatenschap kan worden verhaald, ziet het college af van verdere terugvordering en wordt de vordering afgeboekt.
**2..** Indien voor de cliënt een (minnelijk of wettelijk) schuldregelingstraject is ingezet, wordt de vordering opgeschort. Als het schuldregelingstraject met goed gevolg is beëindigd, besluit het college tot het buiten invordering stellen van de (restant-) vordering.
**3..** Het college ziet af van (verdere) invordering, indien één (1) jaar na het eerste onderzoek naar inningsmogelijkheden, één (1) of meerdere vorderingen die bij elkaar niet meer bedragen dan € 250,-- wederom oninbaar blijken.
**4..** In geval van dringende redenen, wat ter beoordeling is van het college, kan in individuele gevallen tijdelijk of geheel worden afgezien van (verdere) terugvordering.
**5..** Tenzij sprake is van het genoemde als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, kan van invordering niet worden afgezien als:
de vordering is ontstaan als gevolg van fraude, onrechtmatig en/of verwijtbaar gedrag van de cliënt dan wel zijn/haar (wettelijk) vertegenwoordiger;
als medewerking van het college aan een schuldregeling is toegezegd en binnen twaalf (12) maanden nadien geen regeling tot stand is gekomen.
Artikel 11