Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf

Artikel 4.6.2

Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen

Het is de rechthebbende op een onroerend goed alsmede de hoofdgebruiker van dat goed verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag dit goed of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen gericht op het inwendig gedeelte van een onroerend goed, dan wel deel uitmakend van een etalageopstelling; opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door burgemeester en wethouders; opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en mits er sprake is van: Eén aanduiding op de gevel (haaks of in het gevelvlak), waarvan de hoogte niet meer bedraagt dan 0,6 meter en/of één bord in het voor- of zijerf op een zelfstandige constructie, waarvan de oppervlakte van het bord niet meer bedraagt dan 1 m2, waarbij de hoogte van de constructie en bord samen niet meer bedraagt dan 2 meter, de breedte van het bord niet meer is dan 1 meter, de dikte van het bord niet meer is dat 0,15 meter en de afstand tot het naburige perceel minimaal 1 meter is. Het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor dat goed is bestemd, zomede op naamborden, mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op of aan de onroerende zaak. opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits wordt voldaan aan het door het college te stellen nadere regels. Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun tijdelijke karakter te hebben verloren wanneer deze gedurende meer dan 31 dagen, al dan niet aaneengesloten, per kalenderjaar aanwezig zijn. de plaatsing van één circusreclame op een particulier perceel, mits deze niet groter is dan 1 meter bij 2 meter en niet eerder dan twee weken voor de aanvang van de eerste circusvoorstelling aanwezig is en uiterlijk één week na de circusvoorstelling verwijderd is. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt voorts niet voor zover de Woningwet, de Monumentenwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor zover betrekking hebbend op bouwactiviteiten, de gemeentelijke monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel