1. Het project dient in aanzienlijke mate bij te dragen aan ten minste één van de onderstaande doelstellingen uit het Flexibel meerjarenprogramma:
a. Het verbeteren van de vindbaarheid van de Rijn- en Veenstreek;
b. Het versterken van de gebiedswaarden van de Rijn- en Veenstreek;
c. Het verbeteren van de bereikbaarheid van de Rijn- en Veenstreek;
d. Het versterken van de beleefbaarheid van de Rijn- en Veenstreek.
2. In aanvulling op lid 1 dient het project bij te dragen aan ten minste één van de onderstaande doelstellingen:
a. Toename van recreatie in het groen;
b. Behoud van de biodiversiteit;
c. Ontwikkeling en behoud van waardevolle en aantrekkelijke agrarische landschappen.
3. In aanvulling op lid 1 en 2 dient het project te voldoen aan alle van de onderstaande technische voorwaarden:
a. Het project is niet gestart;
b. De activiteiten worden uitgevoerd binnen de Rijn- en Veenstreek en sluit aan op het Groen-blauwe raamwerk;
c. De activiteiten worden uitgevoerd door ten minste twee initiatiefnemers die samenwerken binnen het Groen-blauwe netwerk.
4. In aanvulling op lid 1, 2 en 3 dient het project bij aanvragen voor cofinanciering van grote projecten te voldoen aan alle van de onderstaande inhoudelijke voorwaarden:
a. Het project waarborgt continuïteit;
b. Het project heeft een regionale impact van de regiogemeenten;
c. Het project kent een hoge mate van samenwerking.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Subsidiabele activiteiten
Onderdeel van Nadere regels betreffende Cofinancieringsregeling Rijn- en Veenstreek