Het college stelt jaarlijks vóór 16 oktober het uurtarief voor een (VVE-)peuterplaats vast, als grens voor de vast te stellen subsidie.
Het college stelt jaarlijks vóór 16 oktober het VVE-jaarbedrag vast.
Het college stelt jaarlijks vóór 16 oktober de inkomensafhankelijke ouderbijdrage vast. Deze is gebaseerd op het uurtarief en de (gecomprimeerde) tabel van de kinderopvangtoeslag.
De grondslag voor het subsidie is het werkelijk aantal peuters en het werkelijk aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang.
Het college subsidieert de volgende subsidiebedragen:
per bezette peuterplaats voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag maximaal 7 uren per week maal het vastgestelde uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage;
per bezette VVE-peuterplaats voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag 10 of 10,5 uren per week maal het vastgestelde uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage;
per bezette VVE-peuterplaats voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag 3,5 of 3 uren per week (het derde dagdeel) maal het vastgestelde uurtarief.
Naast de in lid 2 genoemde subsidiebedragen stelt het college voor doelgroeppeuters een VVE-jaarbedrag per bezette peuterplaats beschikbaar. Deze subsidie wordt verstrekt voor peuters die een VVE-peuterplaats bezetten, ongeacht of de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Indien de VVE-peuterplaats niet het gehele jaar bezet is, wordt de toeslag naar rato verstrekt.
Houders innen zelf de ouderbijdragen en zijn verantwoordelijk voor het bijbehorende risico van niet-betalers.
HOOFDSTUK 1
Artikel 3
De grondslag voor subsidie
Onderdeel van Beleidsregels subsidie peuteropvang en VVE gemeente Dalfsen