Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Nadere regel Subsidie kinder- en peuteropvang 2019

In deze nadere regel wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders; Algemene subsidieverordening: de Algemene subsidieverordening gemeente Bunschoten 2011; Aanbieder: een exploitant van een kindercentrum die kinder- en/of peuteropvang in de gemeente Bunschoten aanbiedt en is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en voldoet aan de kwaliteitseisen en regelgeving. Benutte kindplaats: rekeneenheid die overeenkomt met het aantal uren per kind per jaar dat een kind daadwerkelijk een aanbieder bezoekt. Doelgroeppeuter2Dit betreft de definitie van de doelgroep voor voorschoolse educatie (doelgroeppeuters) zoals het college deze voor Bunschoten heeft vastgesteld op 6 juni 2017.: een kind van tweeënhalf tot en met drie jaar die een indicatie van de Jeugdgezondheidsdienst (GGD-regio Utrecht) heeft gekregen op basis van een van de volgende twee criteria: Een achterstand (of een risico op een achterstand) in de Nederlandse taalontwikkeling; Kinderen die in hun Nederlandse (taal)ontwikkeling worden bedreigd vanwege sociale factoren. Deze kinderen worden uitsluitend door de jeugdgezondheidszorg geïndiceerd en hebben baat bij extra inzet van voorschoolse educatie. Een doelgroeppeuter dient een aanbod van voorschoolse educatie gedurende minimaal 10 uur en maximaal 14 uur per week3Hierbij geldt een maximum van 6 uur VVE-aanbod per dag. te krijgen. Voorschoolse educatie: uitvoering van een erkend Voorschools Educatie programma – opgenomen in de databank van de Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut - waarbij tenminste wordt voldaan aan de basisvoorwaarden voor kwaliteit uit het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie waarbij kinderen op gestructureerde en samenhangende wijze worden gestimuleerd bij hun ontwikkeling (taal, rekenen, sociaal-emotioneel en motorisch). Het programma is bedoeld voor kinderen vanaf 2 jaar tot de eerste dag dat zij de basisschool bezoeken. Kinder- en peuteropvang: de verzorging, de opvoeding, het stimuleren van de ontwikkeling en het voorbereiden op de basisschool van peuters vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs; Subsidienorm: een bedrag per benutte kindplaats, 40 weken per jaar, zijnde de genormeerde kosten berekend volgens het maximum uurtarief conform de regeling voor de kinderopvangtoeslag voor dagopvang vermeerderd met een toeslag vanwege het aanbod van voorschoolse educatie wanneer het een geïndiceerde doelgroeppeuter betreft en verminderd met de eigen bijdrage van ouders volgens deze nadere regel. Bij benutting van een kindplaats voor een gedeelte van het jaar wordt de subsidie naar rato van het aantal weken bepaald. Eigen bijdrage van ouders van geïndiceerde doelgroeppeuters: de bijdrage die ouders van doelgroeppeuters kunnen betalen aan de aanbieder voor kinder- en peuteropvang voor de eerste helft4Minimaal 5 uur en maximaal 7 uur per week. van het aantal uren VVE-aanbod per week is gebaseerd op: de minimale eigen bijdrage op basis van de ‘VNG Adviestabel ouderbijdrage peuterwerk’ die elk kalenderjaar wordt aangepast; het maximale uurtarief dat de belastingdienst hanteert bij de kinderopvangtoeslag voor ouders die hiervoor in aanmerking komen en die elk kalenderjaar wordt aangepast. Voor de tweede helft5Minimaal 5 uur en maximaal 7 uur per week. De eerste en tweede helft omvatten dus evenveel uren: totaal minimaal 10 en maximaal 14 uur per week. van het aantal uren VVE-aanbod per week heft de aanbieder geen eigen bijdrage voor zover er sprake is van een doelgroeppeuter met een geïndiceerd risico op taalachterstand. Eigen bijdrage van ouders van peuters zonder (risico op een) taalachterstand: de bijdrage die ouders van peuters zonder een indicatie van de GGD voor een risico op een taalachterstand kunnen betalen aan de aanbieder voor kinder- en peuteropvang voor het eerste en tweede dagdeel (maximaal 7 uur per week); deze ouders6Dit worden ook wel de kostwinnersgezinnen genoemd. kunnen geen aanspraak maken op een kinderopvangtoeslag of op een tegemoetkoming in het kader van arbeidsintegratie.

Rechtspraak bij dit artikel