Naar hoofdinhoud
1.. Een collegelid doet, zowel bij aantreden als tijdens uitoefening van het ambt, opgave aan de gemeentesecretaris van relevante (financiële) belangen die hij heeft in ondernemingen en organisaties. De opgave is openbaar en door derden te raadplegen. 2.. Lidmaatschappen worden gemeld aan de gemeentesecretaris indien deze strijdig zijn met de belangen van de gemeente Delft. 3.. Indien de onafhankelijke oordeelsvorming van een collegelid over een onderwerp in het geding kan zijn, geeft hij bij de besluitvorming daarover aan in hoeverre het onderwerp hem persoonlijk aangaat. 4.. Een collegelid die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht. 5.. Een collegelid vervult geen nevenfuncties: die een risico vormen voor een integere invulling van de politieke functie; bij een organisatie die een subsidierelatie heeft met de gemeente Delft. 6.. Het collegelid neemt bij het aanvaarden en uitoefenen van een nevenfunctie in acht dat: zijn onafhankelijkheid gewaarborgd blijft; elke vorm of schijn van beïnvloeding wordt vermeden; geen strijdigheid met enig gemeentelijk belang optreedt; het tijdsbeslag het goed functioneren als collegelid niet in de weg staat. 7.. Een collegelid geeft ten behoeve van de openbaarmaking van zijn nevenfuncties aan de gemeentesecretaris aan voor welke organisatie de functies worden verricht, wat het tijdsbeslag is en of de functies bezoldigd zijn. 8.. De nevenfuncties worden overeenkomstig de wet openbaar gemaakt. Openbaarmaking geschiedt via internet. 9.. Indien gaande het lidmaatschap van het college een nieuwe nevenfunctie door het collegelid wordt aanvaard, dan wel wijzigingen in de nevenfunctie optreden, dan meldt het collegelid dit binnen één week bij de gemeentesecretaris. 10.. Een collegelid behoudt geen inkomsten uit een ambtsgerelateerde- of q.q.- nevenfunctie, tenzij dat op grond van de wet geheel of gedeeltelijk is toegestaan. De inkomsten komen ten goede aan de kas van de gemeente. Voor een voltijds- collegelid vindt ook verrekening plaats met inkomsten uit niet aan het ambt gebonden nevenfuncties. 11.. De kosten die een collegelid maakt in verband met ambtsgerelateerde- of q.q.- nevenfuncties, worden in beginsel vergoed door de instantie waar de nevenfunctie wordt uitgeoefend. Het college kan besluiten de kosten te vergoeden. 12.. Het collegelid handelt in de uitoefening van zijn ambt niet zodanig dat hij vooruitloopt op een functie na aftreden. 13.. Het collegelid bespreekt het voornemen tot tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de burgemeester. 14.. Het collegelid wordt het eerste jaar na de beëindiging van zijn betrekking uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden, buiten dienstverband, voor de gemeente. 15.. Het collegelid draagt de burgemeester of een wethouder niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij. 16.. Wat onder een verbonden partij wordt verstaan, is opgenomen in artikel 1.1. van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel