Naar hoofdinhoud
1.. De draagkrachtperiode is gelijk aan het kalenderjaar waarin de kosten zich voordoen. 2.. De draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van de norm zoals bedoeld in artikel 20,21, 22 en 23. van de Participatiewet namelijk:110% uitgezonderd kostensoorten vermeld in de toelichting. Hiervoor geldt een draagkracht van 100% conform de richtlijn inkomensdraagkracht vastgesteld op 17 aug 2016. 3.. Het vermogen boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet wordt gezien als draagkracht. 4.. Het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen wordt bepaald volgens de regels van de Participatiewet. 5.. Indien een aanvrager toegelaten is tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of als een minnelijk schuldhulpverleningstraject loopt, wordt de aanvrager niet geacht over een draagkracht te beschikken. 6.. Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht van de gehele periode in één keer verrekend met het uit te betalen bedrag. 7.. Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht evenredig verrekend over de uit te betalen bijstand. 8.. De draagkracht wordt eenmalig vastgesteld op het moment van de aanvrage. Een vastgestelde draagkracht kan gedurende het jaar gewijzigd worden bij een wijziging in de financiële omstandigheden bij een inkomen boven 110% van de norm. 9.. Bij incidentele en wisselende inkomsten wordt de draagkracht over de periode waarop de draagkracht betrekking heeft vastgesteld. Sterk wisselende inkomsten dienen over een langere periode te worden gemiddeld. Ook inkomsten die de klant niet heeft, maar waar hij wel de beschikking over kan krijgen, worden als inkomsten beschouwd. 10.. Bij regelmatig inkomsten is het inkomen in de maand van de aanvraag bepalend. Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de drie maanden voorafgaand aan de maand van aanvraag bepalend. 11.. De individuele inkomenstoeslag wordt tot de middelen gerekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel