Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Spreekrecht

Onderdeel van Regeling Oriënterende Rondes

1. . Toehoorders kunnen het woord voeren over geagendeerde onderwerpen en niet geagendeerde onderwerpen. 2. . Wie van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voor de aanvang van de vergadering bij de voorzitter, dan wel de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam en hoedanigheid, alsmede het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. Als de spreker het woord wil voeren namens een ander, overlegt hij - als de voorzitter daarom vraagt - tevens een schriftelijke en getekende machtiging van die ander. 3. . De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers en geeft hen aan het begin van de vergadering het woord. 4. . Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 5. . De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. 6. . De sprekers dienen zich te beperken tot het verstrekken van informatie, het geven van een toelichting of het beantwoorden van vragen van de raadsleden met betrekking tot het onderwerp, waarover zij het woord willen voeren. 7. . De voorzitter kan, indien hij dit nodig acht voor de orde van de vergadering, een spreker het woord ontnemen. 8. . De leden van de raad kunnen, nadat de sprekers het woord hebben gevoerd, eventuele vragen stellen naar aanleiding van door de toehoorders gemaakte opmerkingen. Er wordt echter niet met de toehoorders in discussie getreden.

Rechtspraak bij dit artikel