Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs de bevoegdheid geeft tot toepassing van artikel 13B Opiumwet. Voor toepassing van dit artikel hoeft dus geen bewijs voorhanden te zijn dat daadwerkelijk drugs zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt in of vanuit het betreffende pand.
Toepassing van artikel 13B Opiumwet is een vorm van bestuursrechtelijk optreden. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, exploitant/huurder, gebruiker of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Daarnaast speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokken eigenaar/exploitant van het pand waarin handel wordt geconstateerd geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het pand noopt.
Voor de toepassing van de in deze beleidsregels opgenomen handhavingsstappen (paragraaf 4) is ook niet vereist dat een overtreding volgend op een eerdere overtreding door dezelfde persoon wordt begaan. Uitgangspunt is dat het bestuursrechtelijk optreden niet persoonsgebonden, maar pandgebonden is. Een uitzondering hierop vormt de situatie dat een persoon, na een eerdere constatering van drugshandel door deze persoon in een bepaald pand, zich opnieuw schuldig maakt aan drugshandel in een ander pand. In een dergelijk geval wordt bij de op te leggen sanctie de eerste constatering van drugshandel meegewogen als een constatering van drugshandel ten aanzien van het zelfde pand.
Deze aanpak is er op gericht om met zowel strafrechtelijke als bestuursrechtelijke middelen de verkoop en aflevering van drugs tegen te gaan. Strafrechtelijke sancties richten zich primair op de bij de handel betrokken personen. Het bestuursrecht, in het bijzonder artikel 13B Opiumwet, biedt mogelijkheden om beëindiging van de illegale verkooppunten te bewerkstelligen. Uitgangspunt van het beleid is om, in samenwerking met het Openbaar Ministerie (OM) en de politie, naast strafrechtelijke vervolging tevens over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Artikel 13B Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen. Een last onder bestuursdwang houdt in de last tot het herstellen in de normale toestand door het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van de overtreding. Bij de toepassing van artikel 13B Opiumwet houdt het opleggen van een last onder bestuursdwang in dat het pand feitelijk gesloten wordt.
In plaats van een last onder bestuursdwang kan ook een last onder dwangsom worden opgelegd aan betrokkene(n). De last onder dwangsom dient als een stok achter de deur. Bij toepassing van artikel 13B Opiumwet houdt het opleggen van een last onder dwangsom in, dat bij een volgende overtreding een dwangsom wordt verbeurd, wat feitelijk betekent dat betrokkene een boete moet betalen.
Gezien de effecten die de handel in drugs vanuit een woning of lokaal heeft op het openbare leven, geniet feitelijk handelen de voorkeur boven het opleggen van een last onder dwangsom. Het opleggen van een last onder bestuursdwang in de vorm van sluiting van een pand wordt daarom als de meest effectieve maatregel beschouwd om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen. Om die reden wordt voor de toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 13B Opiumwet in principe gekozen voor directe sluiting van het betreffende pand. Gelet op de aantasting van het woonrecht is ten aanzien van bewoonde panden de marge ingebouwd om eerst te volstaan met een waarschuwing.
Bij het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt steeds aan betrokkenen(n) een begunstigingstermijn geboden. Dit houdt in dat aan betrokkene(n) de mogelijkheid wordt geboden om binnen de bepaalde termijn vrijwillig het pand te ontruimen en af te sluiten. Doet betrokkene(n) dat niet binnen de gestelde termijn, dan gaat de burgemeester over tot ontruiming en sluiting van het pand. De sluiting is feitelijk van aard, en brengt met zich mee dat de woning of het lokaal door niemand mag worden betreden gedurende de sluitingstermijn.
Als begunstigingstermijn wordt een periode variërend van 48 uur tot 7 dagen aangehouden waarbinnen betrokkene(n) zelf in de gelegenheid is/zijn om gehoor te geven aan de opgelegde last. Van deze termijn kan worden afgeweken als er uit oogpunt van openbare orde en veiligheid sprake is van een spoedeisende situatie.
Artikel 5:31 Algemene wet bestuursrecht, vanaf nu Awb genoemd, lid 1 geeft de mogelijkheid om in een spoedeisend geval af te zien van het opleggen van een last, waardoor ook geen termijn hoeft te worden gegund. Met andere woorden: in zo’n geval wordt wel een besluit genomen, op schrift gesteld en bekend gemaakt, maar wordt het besluit onmiddellijk door het bestuursorgaan uitgevoerd, zonder begunstigingstermijn.
Artikel 5:31 lid 2 gaat nog verder: Als er uit oogpunt van openbare orde en veiligheid de tijd ontbreekt om een besluit op schrift te stellen en bekend te maken kan het besluit onmiddellijk worden uitgevoerd nog voordat deze op schrift is gesteld. Het besluit wordt dan achteraf zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en bekend gemaakt.
Wanneer een pand, vanwege de constatering van harddrugs of meer dan een handelshoeveelheid softdrugs in aanmerking komt voor sluiting wordt het Sociaal Domein direct betrokken.
In de periode tussen de aankondiging van de sluiting en de daadwerkelijke sluiting kan de medewerker van het sociaal domein (algemeen maatschappelijk werk) samen met de wijkagent op huisbezoek gaan. Tijdens dit huisbezoek wordt beoogd met de bewoners van het te sluiten pand mogelijke problematiek te bespreken. Tijdens dit gesprek kan de medewerker van het sociaal domein achterhalen welke hulp geboden kan worden ter voorkoming van herhaling van de overtreding en constateren of andere problemen ( schulden, psychische aandoeningen of vergelijkbare problematiek, opgelost kunnen worden.
Ondermijnende signalen worden door de politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijke afgehandeld.
Bij toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13B Opiumwet dient te worden voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. In geval van gebruik van de bevoegdheid dient hiermee rekening te worden gehouden.
Bij het sluiten van een bewoonde woning/bewoond lokaal kunnen de grondrechten (het woonrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) in het geding komen. In deze beleidsregels is bij het bepalen van de uitgangspunten de eventuele aantasting van het woonrecht meegewogen. Er wordt, gelet op de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in deze beleidsregels onderscheid gemaakt tussen bewoonde en niet-bewoonde woningen/lokalen.
Woningen en lokalen worden hierna tevens aangeduid als “pand”. Bepalend voor het genoemde onderscheid is of een pand al of niet wordt gebruikt als woning. De reden hiervan is dat regelmatig drugshandel in/vanuit woningen wordt geconstateerd, die niet gebruikt worden als woning. Daarnaast komt het voor dat niet voor bewoning bestemde panden worden gebruikt als woning.
Uitgangspunt is dat de last wordt bekendgemaakt aan de overtreder en aan de rechthebbenden op het gebruik van het pand. Dit betekent dat de last onder bestuursdwang wordt opgelegd aan de eigenaar en de eventuele huurder(s) van het betreffende pand. Als een ander dan de eigenaar/huurder(s) als overtreder moet worden aangemerkt, wordt de last ook aan deze overtreder opgelegd. Wie als overtreder(s) dient/dienen te worden aangemerkt, dient per geval te worden beoordeeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie o.m. ABRS d.d. 30-05-2012; LJN: BW6936, kan de eigenaar van een pand als overtreder worden aangemerkt als hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zijn pand werd gebruikt voor drugshandel.
In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, huurder, bewoner of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden.
Op grond van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van een last onder bestuursdwang op kosten van de overtreder. In de last onder bestuursdwang wordt dit aan de overtreder meegedeeld. De kosten van voorbereiding van de last onder bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast. Het is mogelijk dat zaken worden meegevoerd en opgeslagen om aan de last te kunnen voldoen, als bedoeld in artikel 5:29 van de Awb. Zolang de verschuldigde kosten niet zijn voldaan, kan de teruggave van zaken worden opgeschort.
Als sprake is van een pand waarin kamerverhuur plaatsvindt en de handel in drugs in één van de verhuurde kamers is geconstateerd, kan een gedeeltelijke sluiting van het pand worden overwogen. Hetzelfde geldt voor panden die door meerdere bewoners worden bewoond en waarbij sprake is van afzonderlijk af te scheiden en afzonderlijk toegankelijke ruimtes.
Het is op grond van artikel 2:30a, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Landsmeer 2017 (APV) een ieder verboden om een krachtens artikel 13B van de Opiumwet gesloten gebouw te betreden. Het gebouw mag alleen worden betreden als de burgemeester daartoe toestemming heeft gegeven aan de rechthebbende, als bedoeld in artikel 2:30a, zesde lid, van de APV. In de regel wordt slechts toestemming gegeven in geval van een dringende en/of zwaarwichtige reden. Om voor een toestemming in aanmerking te komen zal een schriftelijk en gedetailleerd verzoek om ontheffing moeten worden ingediend, waaruit in ieder geval duidelijk moet blijken voor wie de toestemming moet gelden en voor welk doel en welke periode.
Als feitelijk tot sluiting wordt overgegaan zal het pand voor een ieder ontoegankelijk worden gemaakt door het pand te verzegelen en evt. dicht te timmeren.
Het onderbrengen van (een) andere huurder(s) in een pand of de eigendomsoverdracht van een pand nadat bestuursdwang is toegepast betekent niet dat de last wordt verwijderd. Bij een wisseling van huurder(s)/verandering van eigenaar wordt, vanwege de bekendheid van het betreffende pand als drugspand, de last onverminderd noodzakelijk geacht, behalve als de omstandigheden van het geval tot een andere conclusie moeten leiden.